Onze dochter MARTIE

Op 15 juni 1967 wordt onze dochter geboren, en wat is ze welkom ons eerste kind. Ze groeit op als een vrolijke meid, ondernemend intelligent maar met een handicap. Ze is doof aan een oor, een handicap waar ze heel handig mee weet te leven. We willen niet dat ze naar een speciale school gaat, om haar zoveel mogelijk met kinderen uit de buurt op te laten groeien. Spraaklessen en een speciale plek in de klas, en ze doet mee op een normale school. De oefeningen, 3 maal per dag voor een spiegel, om haar te leren liplezen nemen we graag op ons. De KNO arts verwacht namelijk dat ze helemaal doof zal worden. Ze leert paardrijden, ballet en begint zo rond haar 5de jaar met het verzamelen van mineralen. Ze weet mij en haar oma ook te boeien voor de vele prachtige kleuren en verscheidenheid in dit wonder van de natuur. Zelf koop ik deze stenen niet, ik kan ze immers bij haar op de kamer bewonderen. Mineralen cadeau doen aan Martie geeft nog de meeste voldoening. Samen met mijn moeder bezoeken we regelmatig mineralen-beurzen in en buiten de regio. Zij en haar broer doen veel dingen samen, ze zijn een fijn stel kinderen. Ons gezinnetje is compleet en gelukkig met al zijn ups en downs zoals ieder gezin dat kent. Martie gaat naar de MAVO. Het leren gaat haar goed af, en ze is een kei in wiskunde en economie. Toch ontwikkeld ze in die tijd een minderwaardigheidsgevoel vanwege haar oor. Wat we ook zeggen , ze denkt dat ze er niet bij hoort. Ze denkt dat ze wel nooit een jongen zal krijgen vanwege haar slechthorendheid (Helemaal doof is ze gelukkig nooit geworden). Na de MAVO doet Martie ook de HAVO en haar eindcijfer voor wiskunde is 9.7, terwijl ze ondertussen ook nog eens de avondschool doet om bedrijfsboekhouden te leren. Twee keer per week gaat ze (voor dag en dauw) helpen op de markt. Daar verkoopt ze, als een echte marktvrouw, kinderkleding. Dit doet ze met veel plezier, want ze wil graag een eigen auto’tje. Als ze 18 is heeft ze haar rijbewijs, een auto, en haar eerste baan als medewerkster op de boekhoudafdeling. Op haar 18de verjaardag verlooft ze zich tegen onze zin. Haar verloofgeis meer dronken dam nuchter. Martie ziet gelukkig na een half jaar zelf in dat deze jongen niet de juiste is. De verloving is voorbij. Samen met haar neef gaat ze naar een dancing, en hier leert ze een andere jongen kennen . Dolverliefd is ze. Ze gaan in 1987 samen wonen. . Het is 1988, en Martie heeft mossels gegeten. Ze is er erg ziek van geworden, overgeven en 3 dagen en nachten diarree. Mossels eet ze niet meer. Een maand later is ze weer ziek. Van de tomaten misschien? Of ligt het aan de pil? Steeds vaker wordt ze nu ziek, en na een poos weegt Martie nog maar 48 kilo. Na veel praten gaat ze uiteindelijk naar de huisarts, die haar doorstuurt naar de specialist. In het ziekenhuis moet ze een maag en darm onderzoek ondergaan. De arts kan niks bijzonders vinden, ze moest maar eens stoppen met roken. Haar conditie is slecht en ze is vaak erg moe, te moe om naar haar werk te gaan. Maar de artsen hebben immers niks gevonden. Haar vriend en zijn familie laten duidelijk merken dat ze denken dat Martie te lui is en zich niet voor het huishouden en haar werk interesseert. Haar baas begint een misselijk makende ontslag procedure. De ontslagaanvraag wordt ongegrond verklaard, maar de arbeidsomstandigheden zijn duidelijk gestoord. Haar baas neemt een nieuwe kracht aan, en zet Martie helemaal alleen in een loods, met niet meer dan een tafel, een stoel, een telefoon en een typemachine. Vanuit die loods belt ze me op, en ik tref haar aan als een bang vogeltje, helemaal ontdaan. ‘Mama, ik ben toch geen aansteller? Ik kan er toch ook niets aan doen?’ Ik neem haar mee naar huis, en mijn man praat met de baas. Hierna neemt Martie zelf ontslag, en krijgt een goede afvloeiingsregeling. Ook haar relatie loopt stuk. De trouwjurk was al uitgezocht. Haar vriend bedriegt haar met andere meisjes. Hij ergert zich aan Martie, omdat ze volgens hem een beroepsziek, zwak en misselijk mens is. Haar gevoel van eigenwaarde krijgt weer een behoorlijke duw. Op 3 december 1990 komt Martie bij ons in de buurt wonen, een schim van het meisje wat ze was toen ze thuis wegging om met haar vriend te gaan samenwonen. Ze blijft hopen dat die vriend zal veranderen en dat hij weer bij haar terug komt. Langzaam krabbelt ze weer overeind, heeft een nieuwe baan en gaat weer uit met haar neef. Aan hem heeft ze een enorme steun in deze periode. In 1991 leert ze, tijdens een dansavond,\weer een jongen kennen. Met hem trouwt ze in juni 1992. Veel te vlug naar onze mening. Ze is nog steeds niet los van die tweede knaap. Haar nieuwe vriend is zeer wantrouwend t.a.v. mensen in het algemeen. Hij wil daarom ook alleen op huwelijkse voorwaarden trouwen. Zijn bezit moet, wanneer het huwelijk met Martie zou mislopen, of hem iets overkomt, in zijn eigen familie blijven. Martie is het om dezelfde redenen met hem eens. Haar bezittingen horen bij haar familie. Het huwelijk rammelt aan alle kanten. Wij worden door onze schoonzoon nauwelijks geaccepteerd, het lijkt alsof hij ons als een bedreiging ziet. Na vier maanden gaan ze uit elkaar. Haar echtgenoot woont de volgende 6 maanden weer bij zijn moeder. In April 1993 maken Martie en hij weer een nieuwe start. Het is vallen en opstaan. In september 1993 wordt Martie weer ziek, en we zien haar weer vermageren. De ene keer denkt de dokter aan buikgriep, de andere keer weer aan een verstopping. Zo sukkelt ze verder. Dan zie ik een programma over anorexia nervosa, het ziektebeeld van onze dochter is hetzelfde. Maar Martie eet graag, dus anorexia kan het niet zijn. Stiekem bel ik haar huisarts en vertel hem dit. Voor het eerst denkt deze nu aan de ziekte van Crohn, en vraagt me haar zo vlug mogelijk te sturen. Het is inmiddels eind oktober als ze in het ziekenhuis komt voor onderzoek. Het onderzoek moet uitgesteld worden en Martie moet blijven. Ze is bijna uitgedroogd en moet een week lang aan het infuus. Daarna starten de zeer intensieve en vervelende onderzoeken, en het is Crohn! Het waren dus niet de mossels en dergelijke. Nu komt vast te staan dat ze deze ziekte al in 1988 had toen ze de eerste onderzoeken onderging. Mijn god hoe is ons meisje hierdoor behandeld en miskent. Wat een verdriet en een eenzaamheid heeft ze hierdoor gevoeld. Wat zou ik die mensen nog eens graag tegen komen om ze dat onder de neus te wrijven. Alleen wij, haar ouders, haar broer en haar neef bleven pal naast haar staan. Met Prednison en andere medicijnen krabbelt ze er weer een beetje bovenop. Ondertussen volgt Martie nog een schriftelijke cursus assistent inkoper-verkoper voor bedrijven. Ze mag de Prednison afbouwen, maar de problemen beginnen weer opnieuw en de dosis Prednison moet weer omhoog. Hoewel ze eigenlijk niet mag werken, blijft ze dit toch voor halve dagen doen. Ik help haar zoveel mogelijk in het huishouden. Ze begint zich te realiseren dat haar wens, kinderen te krijgen, op deze manier nooit eens kans krijgt. Ze is erg verdrietig. Haar echtgenoot dreigt met opstappen als ze toch in verwachting zou raken. Voor haar zelf betekent de ziekte alleen dat het een naam heeft gekregen. Dat vind ze belangrijk genoeg, daarom wil ze niet naar een praatgroep. Toch laat ik folders voor haar achter, maar deze blijven helaas op de kast liggen. Op 29 april 1994, een paar dagen voor haar overlijden, ben ik met haar meegegaan naar Leiden. Ze moet examen doen. De examens zijn erg zwaar, en ik schrik wanneer ze terug komt van het laatste examendeel . Ze is volkomen uitgeput in haar hals zie ik haar hartslag als een razende te keer gaan. In onze woonplaats neem ik haar mee uit eten. Na het eten, en na fijne gesprekken te hebben gehad, was Martie weer een stuk opgeknapt. Ze vertelde me toen ook dat ze die avond nog een gesprek zou hebben met iemand van de vereniging van mensen met Crohn. Anderhalf uur heeft ze met deze mevrouw aan de telefoon gesproken. Martie had weer een beetje hoop gekregen dat ze toch kinderen zou kunnen krijgen, ondanks haar ziekte. Ja, ze zou in zo’n praatgroep gaan en zich bij de vereniging aansluiten. Ze had eindelijk haar ziekte aanvaard.. 30 April is ze samen met haar echtgenoot bij ons, en we kijken samen naar het songfestival op TV. Op 1 mei komt ze een boek lenen wat ze graag wil lezen , ze is vrolijk en ziet er goed uit. Op 2 mei werkt ze op het bedrijf tot twaalf uur, waarna ze met haar vriendin gaat squashen. Dinsdag 3 mei gaat om 07 uur 15 de telefoon. Onze schoonzoon vertelt dat Martie die maandag avond en nacht erg ziek is geweest, en dat hij zich zorgen maakt, en vraagt of ik wil komen. Martie is net zo ziek als in november en ik weet dat ze naar het ziekenhuis moet. Het hele huis ruikt naar braaksel en ontlasting. Martie drinkt veel en slaapt wat. Ik bel om 10 voor 8 voor het eerste naar het ziekenhuis. We konden immers altijd bellen wanneer dat nodig was? De arts is er nog niet. 10 over 8, de arts is net weg, 8 uur 40 de arts zal dadelijk wel kontact met U opnemen. Dan de huisarts maar eens proberen, maar deze heeft vakantie en de dienstdoende arts is steeds in gesprek. Mijn onrust wordt steeds groter, haar ogen staan zo raar. Haar optillen gaat niet ze is te slap. Om 10 uur 10 bel ik voor de zoveelste keer naar het ziekenhuis, en krijg nu een andere assistente aan de lijn. Ik doe weer mijn verslag en vraag wat moet ik nu nog doen om Martie in het ziekenhuis te krijgen? Ze hoort de angst in mijn stem, en zegt "mevrouw ik ken Martie toch, ik stuur onmiddellijk een ambulance. Om 10 uur 25 vertrekken we naar het ziekenhuis, zo’ 3 km bij haar huis vandaan. Halverwege vraagt ze waar we zijn, ze krijgt antwoord en even is het stil. Ik voel een koude rilling en roep , " het gaat niet goed met haar", waarop de chauffeur me probeert gerust te stellen. Ze is goed ziek, maar ook weer niet zo ziek als ik denk zegt hij. Dan roept de verpleegster vanachter uit de ambulance, " doe de sirene maar aan, het moet vlugger.!". Er rijdt een auto voor ons die maar niet aan de kant wil, en het lijkt wel of deze steeds langzamer gaat rijden. We lopen door de gangen van het ziekenhuis, en Martie gooit haar lijf heen en weer op de brancard, ze valt er bijna af. In de lift is ze weer rustig, en ze wordt naar haar kamer gebracht, en op bed gelegd, de zuster trekt de gordijnen dicht en gaat de arts bellen. De ambulance broeder zegt nog dat haar pupillen vergroot zijn. Het is nu 10 uur 40. Ik loop achter het gordijn naar mijn dochter toe, ze zucht draait haar hoofd en ik zie dat de adertjes bij haar slapen blauw worden.. Ik ren de gang in en begin te roepen om een zuster. "Kom gauw ze wordt helemaal blauw." Een andere verpleegster belet mij om terug te gaan naar mijn eigen dochter. Achter me zie ik nu een hoop mensen met allerhande apparatuur rennen. De mevrouw die ook op haar kamer ligt wordt op de gang gereden. Haar arts zie ik nu door de gang lopen. Hij heeft geen haast, waardoor ik weer wat rustiger wordt. Ik blijf mijn vraag herhalen aan de zuster, "waarom luisteren jullie nooit, ik ben toch geen overbezorgde moeder? Dat weten jullie toch van de vorige keer? Het spijt ons mevrouw, maar tot 10 uur zat er een uitzendkracht achter de telefoon, is haar antwoord. Ondertussen is ook haar man in het ziekenhuis gearriveerd, hij is op eigen gelegenheid gekomen, er was geen plaats meer in de ambulance. Hij gaat direct nog even buiten een luchtje scheppen. Ondertussen heb ik mijn man gebeld of hij ook naar het ziekenhuis wil komen, mijn onrust neemt weer toe. Om 11 uur komt de arts van Martie en zegt "het spijt me mevrouw, maar Uw dochter is overleden. Dat kan niet, zeg ik, maar haar arts kijkt op een manier waardoor ik besef dat het wel waar moet zijn. Onze schoonzoon komt ook de kamer in, kijkt naar ons en vraagt "het is toch niet waar he, en ik kan alleen maar knikken. Dan gebeuren er zoveel dingen, mijn man komt huilend binnen, Er wordt met stoelen gegooid en we gaan naar Martie kijken. Mijn man huilt, Haar man schudt Martie door elkaar, ‘wakker worden wakker worden’. En ik? Ik sta er als een zombie bij, en denk dit is mijn dochter niet, dit kan niet. Haar ogen willen niet dicht, dit is mijn meisje niet, dit moet iemand anders zijn. Huilen? Nee! Waaraan is Martie overleden? De arts kan dit niet vertellen en wil autopsie doen. Wij geven in eerste instantie toestemming, totdat de arts verteld dat niets wordt terug geplaatst in haar lichaam. Martie had geen codicil. Vanaf haar 14de jaar wist ik dat ze in reincarnatie geloofde. Ze wilde niet dat ze lichaamsdelen zou missen als ze terug zou komen. De toestemming voor autopsie wordt door ons weer ingetrokken, wij moesten toch aan haar wens voldoen. Het meest trieste is nog wel dat de arts al die tijd niet was te bereiken omdat hij met een euthanasie- patient bezig was. Martie moest sterven omdat een ander graag wou sterven. De begrafenis moet geregeld worden. Als een zombie blijf ik doorgaan en regel alles voor iedereen, maar vooral voor haar man, onze schoonzoon. Martie wordt op 6 mei 1994 in haar bruidsjurk begraven. In haar handen houdt ze een woestijnroos vast, een mineraal uit haar verzameling.
Martie

Onze dochter MARTIE

Op 15 juni 1967 wordt onze dochter geboren, en wat is ze welkom ons eerste kind. Ze groeit op als een vrolijke meid, ondernemend intelligent maar met een handicap. Ze is doof aan een oor, een handicap waar ze heel handig mee weet te leven. We willen niet dat ze naar een speciale school gaat, om haar zoveel mogelijk met kinderen uit de buurt op te laten groeien. Spraaklessen en een speciale plek in de klas, en ze doet mee op een normale school. De oefeningen, 3 maal per dag voor een spiegel, om haar te leren liplezen nemen we graag op ons. De KNO arts verwacht namelijk dat ze helemaal doof zal worden. Ze leert paardrijden, ballet en begint zo rond haar 5de jaar met het verzamelen van mineralen. Ze weet mij en haar oma ook te boeien voor de vele prachtige kleuren en verscheidenheid in dit wonder van de natuur. Zelf koop ik deze stenen niet, ik kan ze immers bij haar op de kamer bewonderen. Mineralen cadeau doen aan Martie geeft nog de meeste voldoening. Samen met mijn moeder bezoeken we regelmatig mineralen-beurzen in en buiten de regio. Zij en haar broer doen veel dingen samen, ze zijn een fijn stel kinderen. Ons gezinnetje is compleet en gelukkig met al zijn ups en downs zoals ieder gezin dat kent. Martie gaat naar de MAVO. Het leren gaat haar goed af, en ze is een kei in wiskunde en economie. Toch ontwikkeld ze in die tijd een minderwaardigheidsgevoel vanwege haar oor. Wat we ook zeggen , ze denkt dat ze er niet bij hoort. Ze denkt dat ze wel nooit een jongen zal krijgen vanwege haar slechthorendheid (Helemaal doof is ze gelukkig nooit geworden). Na de MAVO doet Martie ook de HAVO en haar eindcijfer voor wiskunde is 9.7, terwijl ze ondertussen ook nog eens de avondschool doet om bedrijfsboekhouden te leren. Twee keer per week gaat ze (voor dag en dauw) helpen op de markt. Daar verkoopt ze, als een echte marktvrouw, kinderkleding. Dit doet ze met veel plezier, want ze wil graag een eigen auto’tje. Als ze 18 is heeft ze haar rijbewijs, een auto, en haar eerste baan als medewerkster op de boekhoudafdeling. Op haar 18de verjaardag verlooft ze zich tegen onze zin. Haar verloofgeis meer dronken dam nuchter. Martie ziet gelukkig na een half jaar zelf in dat deze jongen niet de juiste is. De verloving is voorbij. Samen met haar neef gaat ze naar een dancing, en hier leert ze een andere jongen kennen . Dolverliefd is ze. Ze gaan in 1987 samen wonen. . Het is 1988, en Martie heeft mossels gegeten. Ze is er erg ziek van geworden, overgeven en 3 dagen en nachten diarree. Mossels eet ze niet meer. Een maand later is ze weer ziek. Van de tomaten misschien? Of ligt het aan de pil? Steeds vaker wordt ze nu ziek, en na een poos weegt Martie nog maar 48 kilo. Na veel praten gaat ze uiteindelijk naar de huisarts, die haar doorstuurt naar de specialist. In het ziekenhuis moet ze een maag en darm onderzoek ondergaan. De arts kan niks bijzonders vinden, ze moest maar eens stoppen met roken. Haar conditie is slecht en ze is vaak erg moe, te moe om naar haar werk te gaan. Maar de artsen hebben immers niks gevonden. Haar vriend en zijn familie laten duidelijk merken dat ze denken dat Martie te lui is en zich niet voor het huishouden en haar werk interesseert. Haar baas begint een misselijk makende ontslag procedure. De ontslagaanvraag wordt ongegrond verklaard, maar de arbeidsomstandigheden zijn duidelijk gestoord. Haar baas neemt een nieuwe kracht aan, en zet Martie helemaal alleen in een loods, met niet meer dan een tafel, een stoel, een telefoon en een typemachine. Vanuit die loods belt ze me op, en ik tref haar aan als een bang vogeltje, helemaal ontdaan. ‘Mama, ik ben toch geen aansteller? Ik kan er toch ook niets aan doen?’ Ik neem haar mee naar huis, en mijn man praat met de baas. Hierna neemt Martie zelf ontslag, en krijgt een goede afvloeiingsregeling. Ook haar relatie loopt stuk. De trouwjurk was al uitgezocht. Haar vriend bedriegt haar met andere meisjes. Hij ergert zich aan Martie, omdat ze volgens hem een beroepsziek, zwak en misselijk mens is. Haar gevoel van eigenwaarde krijgt weer een behoorlijke duw. Op 3 december 1990 komt Martie bij ons in de buurt wonen, een schim van het meisje wat ze was toen ze thuis wegging om met haar vriend te gaan samenwonen. Ze blijft hopen dat die vriend zal veranderen en dat hij weer bij haar terug komt. Langzaam krabbelt ze weer overeind, heeft een nieuwe baan en gaat weer uit met haar neef. Aan hem heeft ze een enorme steun in deze periode. In 1991 leert ze, tijdens een dansavond,\weer een jongen kennen. Met hem trouwt ze in juni 1992. Veel te vlug naar onze mening. Ze is nog steeds niet los van die tweede knaap. Haar nieuwe vriend is zeer wantrouwend t.a.v. mensen in het algemeen. Hij wil daarom ook alleen op huwelijkse voorwaarden trouwen. Zijn bezit moet, wanneer het huwelijk met Martie zou mislopen, of hem iets overkomt, in zijn eigen familie blijven. Martie is het om dezelfde redenen met hem eens. Haar bezittingen horen bij haar familie. Het huwelijk rammelt aan alle kanten. Wij worden door onze schoonzoon nauwelijks geaccepteerd, het lijkt alsof hij ons als een bedreiging ziet. Na vier maanden gaan ze uit elkaar. Haar echtgenoot woont de volgende 6 maanden weer bij zijn moeder. In April 1993 maken Martie en hij weer een nieuwe start. Het is vallen en opstaan. In september 1993 wordt Martie weer ziek, en we zien haar weer vermageren. De ene keer denkt de dokter aan buikgriep, de andere keer weer aan een verstopping. Zo sukkelt ze verder. Dan zie ik een programma over anorexia nervosa, het ziektebeeld van onze dochter is hetzelfde. Maar Martie eet graag, dus anorexia kan het niet zijn. Stiekem bel ik haar huisarts en vertel hem dit. Voor het eerst denkt deze nu aan de ziekte van Crohn, en vraagt me haar zo vlug mogelijk te sturen. Het is inmiddels eind oktober als ze in het ziekenhuis komt voor onderzoek. Het onderzoek moet uitgesteld worden en Martie moet blijven. Ze is bijna uitgedroogd en moet een week lang aan het infuus. Daarna starten de zeer intensieve en vervelende onderzoeken, en het is Crohn! Het waren dus niet de mossels en dergelijke. Nu komt vast te staan dat ze deze ziekte al in 1988 had toen ze de eerste onderzoeken onderging. Mijn god hoe is ons meisje hierdoor behandeld en miskent. Wat een verdriet en een eenzaamheid heeft ze hierdoor gevoeld. Wat zou ik die mensen nog eens graag tegen komen om ze dat onder de neus te wrijven. Alleen wij, haar ouders, haar broer en haar neef bleven pal naast haar staan. Met Prednison en andere medicijnen krabbelt ze er weer een beetje bovenop. Ondertussen volgt Martie nog een schriftelijke cursus assistent inkoper-verkoper voor bedrijven. Ze mag de Prednison afbouwen, maar de problemen beginnen weer opnieuw en de dosis Prednison moet weer omhoog. Hoewel ze eigenlijk niet mag werken, blijft ze dit toch voor halve dagen doen. Ik help haar zoveel mogelijk in het huishouden. Ze begint zich te realiseren dat haar wens, kinderen te krijgen, op deze manier nooit eens kans krijgt. Ze is erg verdrietig. Haar echtgenoot dreigt met opstappen als ze toch in verwachting zou raken. Voor haar zelf betekent de ziekte alleen dat het een naam heeft gekregen. Dat vind ze belangrijk genoeg, daarom wil ze niet naar een praatgroep. Toch laat ik folders voor haar achter, maar deze blijven helaas op de kast liggen. Op 29 april 1994, een paar dagen voor haar overlijden, ben ik met haar meegegaan naar Leiden. Ze moet examen doen. De examens zijn erg zwaar, en ik schrik wanneer ze terug komt van het laatste examendeel . Ze is volkomen uitgeput in haar hals zie ik haar hartslag als een razende te keer gaan. In onze woonplaats neem ik haar mee uit eten. Na het eten, en na fijne gesprekken te hebben gehad, was Martie weer een stuk opgeknapt. Ze vertelde me toen ook dat ze die avond nog een gesprek zou hebben met iemand van de vereniging van mensen met Crohn. Anderhalf uur heeft ze met deze mevrouw aan de telefoon gesproken. Martie had weer een beetje hoop gekregen dat ze toch kinderen zou kunnen krijgen, ondanks haar ziekte. Ja, ze zou in zo’n praatgroep gaan en zich bij de vereniging aansluiten. Ze had eindelijk haar ziekte aanvaard.. 30 April is ze samen met haar echtgenoot bij ons, en we kijken samen naar het songfestival op TV. Op 1 mei komt ze een boek lenen wat ze graag wil lezen , ze is vrolijk en ziet er goed uit. Op 2 mei werkt ze op het bedrijf tot twaalf uur, waarna ze met haar vriendin gaat squashen. Dinsdag 3 mei gaat om 07 uur 15 de telefoon. Onze schoonzoon vertelt dat Martie die maandag avond en nacht erg ziek is geweest, en dat hij zich zorgen maakt, en vraagt of ik wil komen. Martie is net zo ziek als in november en ik weet dat ze naar het ziekenhuis moet. Het hele huis ruikt naar braaksel en ontlasting. Martie drinkt veel en slaapt wat. Ik bel om 10 voor 8 voor het eerste naar het ziekenhuis. We konden immers altijd bellen wanneer dat nodig was? De arts is er nog niet. 10 over 8, de arts is net weg, 8 uur 40 de arts zal dadelijk wel kontact met U opnemen. Dan de huisarts maar eens proberen, maar deze heeft vakantie en de dienstdoende arts is steeds in gesprek. Mijn onrust wordt steeds groter, haar ogen staan zo raar. Haar optillen gaat niet ze is te slap. Om 10 uur 10 bel ik voor de zoveelste keer naar het ziekenhuis, en krijg nu een andere assistente aan de lijn. Ik doe weer mijn verslag en vraag wat moet ik nu nog doen om Martie in het ziekenhuis te krijgen? Ze hoort de angst in mijn stem, en zegt "mevrouw ik ken Martie toch, ik stuur onmiddellijk een ambulance. Om 10 uur 25 vertrekken we naar het ziekenhuis, zo’ 3 km bij haar huis vandaan. Halverwege vraagt ze waar we zijn, ze krijgt antwoord en even is het stil. Ik voel een koude rilling en roep , " het gaat niet goed met haar", waarop de chauffeur me probeert gerust te stellen. Ze is goed ziek, maar ook weer niet zo ziek als ik denk zegt hij. Dan roept de verpleegster vanachter uit de ambulance, " doe de sirene maar aan, het moet vlugger.!". Er rijdt een auto voor ons die maar niet aan de kant wil, en het lijkt wel of deze steeds langzamer gaat rijden. We lopen door de gangen van het ziekenhuis, en Martie gooit haar lijf heen en weer op de brancard, ze valt er bijna af. In de lift is ze weer rustig, en ze wordt naar haar kamer gebracht, en op bed gelegd, de zuster trekt de gordijnen dicht en gaat de arts bellen. De ambulance broeder zegt nog dat haar pupillen vergroot zijn. Het is nu 10 uur 40. Ik loop achter het gordijn naar mijn dochter toe, ze zucht draait haar hoofd en ik zie dat de adertjes bij haar slapen blauw worden.. Ik ren de gang in en begin te roepen om een zuster. "Kom gauw ze wordt helemaal blauw." Een andere verpleegster belet mij om terug te gaan naar mijn eigen dochter. Achter me zie ik nu een hoop mensen met allerhande apparatuur rennen. De mevrouw die ook op haar kamer ligt wordt op de gang gereden. Haar arts zie ik nu door de gang lopen. Hij heeft geen haast, waardoor ik weer wat rustiger wordt. Ik blijf mijn vraag herhalen aan de zuster, "waarom luisteren jullie nooit, ik ben toch geen overbezorgde moeder? Dat weten jullie toch van de vorige keer? Het spijt ons mevrouw, maar tot 10 uur zat er een uitzendkracht achter de telefoon, is haar antwoord. Ondertussen is ook haar man in het ziekenhuis gearriveerd, hij is op eigen gelegenheid gekomen, er was geen plaats meer in de ambulance. Hij gaat direct nog even buiten een luchtje scheppen. Ondertussen heb ik mijn man gebeld of hij ook naar het ziekenhuis wil komen, mijn onrust neemt weer toe. Om 11 uur komt de arts van Martie en zegt "het spijt me mevrouw, maar Uw dochter is overleden. Dat kan niet, zeg ik, maar haar arts kijkt op een manier waardoor ik besef dat het wel waar moet zijn. Onze schoonzoon komt ook de kamer in, kijkt naar ons en vraagt "het is toch niet waar he, en ik kan alleen maar knikken. Dan gebeuren er zoveel dingen, mijn man komt huilend binnen, Er wordt met stoelen gegooid en we gaan naar Martie kijken. Mijn man huilt, Haar man schudt Martie door elkaar, ‘wakker worden wakker worden’. En ik? Ik sta er als een zombie bij, en denk dit is mijn dochter niet, dit kan niet. Haar ogen willen niet dicht, dit is mijn meisje niet, dit moet iemand anders zijn. Huilen? Nee! Waaraan is Martie overleden? De arts kan dit niet vertellen en wil autopsie doen. Wij geven in eerste instantie toestemming, totdat de arts verteld dat niets wordt terug geplaatst in haar lichaam. Martie had geen codicil. Vanaf haar 14de jaar wist ik dat ze in reincarnatie geloofde. Ze wilde niet dat ze lichaamsdelen zou missen als ze terug zou komen. De toestemming voor autopsie wordt door ons weer ingetrokken, wij moesten toch aan haar wens voldoen. Het meest trieste is nog wel dat de arts al die tijd niet was te bereiken omdat hij met een euthanasie-patient bezig was. Martie moest sterven omdat een ander graag wou sterven. De begrafenis moet geregeld worden. Als een zombie blijf ik doorgaan en regel alles voor iedereen, maar vooral voor haar man, onze schoonzoon. Martie wordt op 6 mei 1994 in haar bruidsjurk begraven. In haar handen houdt ze een woestijnroos vast, een mineraal uit haar verzameling.
Martie