Op zoek naar het boek Africa the Adventure, vond ik in de bibliotheek een ander boek van Attilio Gatti, uitgegeven door Meulenhoff. Misschien is het verhaal dat ik vond, wel echt de eerste expeditie, echter niet opgezet voor het maken van QSO's   Source: Mistiek Afrika, 1955, door Ton Schilling From Tom-Toms in the Night & Black Mist, by Attilo Gatti Reprinted by Wino, PA0ABM

OQ5ZZ

Het  was in New York, dat ik bij louter toeval, en kort voor mijn Belgisch-Congo-expeditie, in aanraking kwam met mrs. Dorothy Hall uit Springfield (Long Island), een van de ervarenste en sympathiekste kortegolf-radioamateurs in Amerika, en bij duizenden collega's over de hele wereld bekend. "Zo'n expeditie als de uwe moet gewoonweg een kortegolf-zend- en ontvangapparaat hebben!" stelde ze bondig vast. "Dan kunt u op elk gewenst ogenblik contact hebben met Amerika, uw familieleden op de hoogte houden hoe het u gaat, u kunt om hulp vragen, wanneer dat nodig is; en als u nog wat reserve-apparatuur mee- neemt, kunt u vanuit uw basiskamp doorlopend in contact blijven met medewerkers, die elders in de wildernis zitten. En vertelt u 's, hoe vaak kunt u daarginds post ontvangen of versturen?" - "Nou, niet zo vaak. . ." antwoordde ik, "misschien zo'n tweemaal per maand, als we tenminste in de buurt van een grote weg zitten, als de postauto niet in elkaar gezakt is en als er geen bruggen zijn weggeslagen door de regenval." - "Zie je wel! daar heb je 't al!" riep ze triomfantelijk uit. "Weet u, dat in Belgisch-Congo practisch elk postkantoor over een kortegolf zend- en ontvangapparaat beschikt? Alles wat u te doen heeft is er zelf een aan te schaffen en een vergunning aan te vragen aan het gouvernement, dan kunt u een regeling treffen met het dichtst-bijzijnde postkantoor. Telkens als u een telegram wilt versturen, dicteert u dat gewoon in uw microphoon, of omgekeerd: geeft het postkantoor u via uw ontvangapparaat berichten door die voor u zijn bestemd. Een kwestie van minuten, in plaats van weken of maanden. U kunt bijvoorbeeld ook een ongeluk krijgen en ogenblikkelijk medische hulp nodig heb- ben. . . u kunt een kist met filmen of onvervangbaar cameramateriaal verspelen. . . wat niet al meer! Een bericht over uw zender, en alles wat u nodig heeft wordt u achterna gestuurd, desnoods uit een vliegtuig gedropped!" Ik was al gecapituleerd! Alles wat nog moeilijkheden opleverde was, dat ik, zo in de voor- avond van een nieuwe expeditie, practisch geen rode cent meer bezat. In enkele maanden tijds had ik vele duizenden uitgegeven aan het beste foto- en filmmateriaal, dat te koop was, kostbare lenzen en tele- objectieven, kisten vol van de modernste, lichtsterkste platen en filmen, filters, blitzlampen, ontwikkel-benodigdheden; drie aggregaten die voor de 110 volt wisselstroom konden zorgen, die wij in de wildernis nodig hadden; een complete apparatuur om gramofoonplaten te snijden en stapels daarbij behorende materialen; voorts had ik mij de noodzakelijke maar zeer dure medewerking verzekerd van een cameraman, een assistent-operateur, een mecanicien en een electricien; en nog veel meer. . . wat komt er al niet kijken bij de samenstelling van een expeditie? En dan straks, in Afrika, wat een waandenkbeeld te denken, dat het leven daar zowat niets kostte, ook al betaalde men zijn dragers met francs en de pygmeeën met zout. . . Maar mrs. Hall liet me niet los. Zij krabbelde namen, adressen en prijzen in haar notitieboekje, ging aan het rekenen en berekenen en herrekenen, zij telefoneerde en telegrafeerde links en rechts en ten- slotte liet ze mij een lijstje zien, waarvan alleen de eindsom direct mijn belangstelling opeiste: in plaats van de duizenden te zien, die ik had verwacht, zag ik daar een bedrag van wat honderden dollars! "Maar is het niet een vreselijk ingewikkelde bedoening?" vroeg ik nog. "Ik heb beslist geen tijd meer om een cursus te volgen!" Energiek woof mrs. Hall ook dat bezwaar uit de lucht: "Wel neen. . . In Amerika moet men wel eerst een examen hebben afgelegd, voor men in de lucht mag komen, maar in Belgisch Congo is dat geen vereiste'.Ik zal u wel een handleiding geven en trouwens, bIJ alle materiaal krijgt u handige instructieboekjes. Lees ze door en in enkele uren tijds heeft u de zaak onder de knie!" Wel, om het kort te maken, ik bestelde. En de kisten kwamen. En al stonden we een paar dagen voor ons vertrek, mijn electricien Charlie en ik konden onze nieuwsgierigheid niet meer bedwingen en maakten de kisten open. In de nummers 43 en 45 zaten dan die wonderen: de twee Hallicrafter- ontvangers met bijbehorende luidsprekers! Iedere amateur zwoer in die tijd bij Hallicrafters, een woord dat samengesteld werd uit de naam van Bill Halligan (de geniale pionier op het gebied van de kortegolf radio) en het begrip "crafters", dat de handenarbeid aanduidde waarmee in het begin de amateur zijn eigen apparaat in elkaar knutselde. Bill Halligan was de man, die toen radicaal een eind maakte aan alle eigen gepruts en van het apparaat een fabrieksproduct maakte: een betoverend klein wondergeval, niet groter dan een gewoon radio-apparaat, met slechts een paar schalen en knoppen, en tegen vocht en roest beveiligd in een dun stalen box. En dan waren er de kisten 44 en 46 met de twee zend-apparaten, en kisten met complete sets reserve- onderdelen, alles bij elkaar een indrukwekkende hoeveelheid onbegrijpelijkheden. "Niets aan!" had mrs. Hall uitgeroepen: "Jullie hebt 't zo onder de knie . . . lees de boekjes maar door!" Maar zó eenvoudig was het beslist niet. Charlie en ik lieten ons dagenlang instrueren, voor we er iets van snapten en voor mij was het toen alleen nog maar dit: uit een van de krachtbronnen moest een kabel worden aangesloten op een Hallicrafter, het juiste einde van de antenne ergens insteken, een knop omdraaien, dan wachten tot het apparaat was warm geworden, wat je kon weten door het bewegen van een paar scala-pijltjes tot die op een bepaald punt bleven staan. Dan begonnen andere pijltjes uit te slaan. En een kleine handle moest omlaag - en dan kon je in een microphoon praten en de hele wereld hoorde je stem! Een bepaalde knop mgedraaid, de pijltjes kantelden de andere kant op, - en uit je luidspreker klonken stemmen uit het Grote Niets: collega's-radioamateurs! Zo was het! Dat wisten we ervan! Mrs. Hall bood mij aan, haar eigen station als ons "moederstation" te laten fungeren, d.w.z. als het station in Amerika dat over het onze zou "waken", onze berichten op vaste tijden opvangen en doorgeven naar de betrokken adressen, enz. En intussen had ik via de Belgische ambassade een vergunning aangevraagd. Die kreeg ik binnen enkele dagen in bezit en het was met iets van trotse opwinding, toen ik er, vet en zwart, het codenummer van "ons eigen station" op zag staan: OQ5ZZ! . . . OQ5, dat was de internationale code voor de Belgische Congo, ZZ de onze. . . Stel je voor: OQ5ZZ, het radiostation van de l0e Afrikaanse Gatti-expeditie! Dat was in 1938, en geen sterveling dacht nog aan oorlog. De kortegolf radio-amateurs beschouwden ons experiment als heel belangrijk en ze zochten bij bosjes contact: studenten en professoren, vrachtwagenchauffeurs en rechters, vuilnismannen en kantoorklerken. . . van alle kanten kwamen hun brieven binnen, vol hartelijke wensen en aanbieding van hulp en goede raad, het was hartverwarmend en bezielend, deze corpsgeest van de amateurs! Enkele jaren later beheerste dezelfde Hallicrafter, als ruggegraat van de over leven of dood beslissende verbindingen der meeste geallieerde strijdkrachten, de oorlog. Begrijpelijk - maar hoe diep treurig ook, en welk een zinnebeeld voor onze moderne "beschaving", dat zulk een kostelijk apparaat, waarmee honderdduizenden over de gehele aardbol het avontuur in de aether zochten en daarbij zich vrienden wonnen - op alle werelddelen, - geperfectionneerd moest worden ten dienste van de vernietiging. . .  

DE STEM

Ik geloof, dat het feit dat onze expeditie over een eigen radiostation beschikte, er schuldig aan was, dat wij reeds drie kilometer buiten Stanleyville, op een plantage, ons eerste kamp opsloegen. Natuurlijk, tegen elkaar zeiden we: "We moeten de boel nog aangeven en controleren of er geen schade is aangericht door de reis, en we moeten er nog eerst mee experimenteren, want als we straks diep in de wildernis zitten, hebben we geen kans meer om eventuele mankementen en zo, snel in orde te brengen. . ." En nog een hoop meer argumenten brachten we te berde en wij knikten tegen elkaar - maar in werkelijkheid waren wij brandend nieuwsgierig en ongeduldig om onze stem in de aether te sturen. Met alle bagage kwamen ook de kisten het kamp binnen: stevige kisten met bescharnierde deksels, fikse sloten er op, prachtig beschilderd met de aanduiding dat ze het zendstation OQ5ZZ van de l0e Afrikaanse Gatti-expeditie bevatten, - en nog duidelijker de waarschuwingen, compleet met vette pijlen: "Deze kant boven - radio-apparatuur - breekbaar - voorzichtig". Dat was bedoeld voor elke inboorling, die ermee te maken kreeg, en die ze derhalve met dat nooit-missende talent ondersteboven versjouwde en vaker en harder met ze smeet dan met de andere kisten. . . We stonden er allemaal omheen, toen Charlie ze, met een bijna plechtig en tegelijk liefderijk gebaar, ontsloot. Daar lag onze onrust, onze nieuwsgierigheid, ons ongeduld. . . "Wel. . ." zei Charlie . . . "laten we ze proberen. Waar en hoe wil je ze opgesteld hebben?" Op dat ogenblik overviel me een gevoel van grote onzekerheid. Ze keken allemaal naar mij, vol verwachting en vertrouwen. En . . . en . . . en ik had zo'n zend- en ontvangstation nog niet anders gezien dan al kant en klaar in elkaar gezet, compleet met de opstelling van de antenne en zo meer. . . en ik wist ièts van knopjes en handletjes en wijzertjes . . . maar om nu zo uit het hoofd, met wat instructieboekjes in de hand - wie was de optimist, die ze duidelijk en overzichtelijk noemde? - zèlf een station in elkaar te goochelen, daar. . . "Hoor 's hier, brave," zei ik ietwat te autoritair, "wie is hier de electricien, jij of ik? Wij zijn op safari gewend, elk ons eigen werk te doen, ga dus meteen maar je gang. Trouwens, ik heb wel wat anders te doen, dan me hiermee bezig te houden. . . Tussen twee haakjes: je weet hoe mrs. Dorothy Hall zich voor ons heeft uitgesloofd, het is dus niet minder dan een kwestie van plicht, dat wij ons eerste contact met háár zoeken. Vertel me dus maar, wanneer je denkt klaar te zijn, dan stuur ik haar een telegram van be- houden aankomst en deel haar mee, dat ze ons op die en die tijd in de lucht kan verwachten. En dat telegram moet er liefst vandaag nog uit, want dan heeft ze nog tijd, om haar collega's een seintje te geven. . ." Het klonk zeer beslist en overtuigend, en Charly knikte me dan ook toe en iedereen had respect in de ogen vanwege zo'n vlotte beslissing van de expeditie-leider. "Het is nu de 15e. . ." stelde Charly voor, " . . . wat denk je ervan, als ik de boel de 25e te middernacht gereed heb voor een uitzending?" Aldus werd besloten. En met omhooggestroopte mouwen, een keur van de beste helpers te zijner beschikking, geestdrift in de ogen en alle instructieboekjes om zich heen opengespreid, stortte Charley zich op de kisten. Eerste moeilijkheid: Charley berekende nauwkeurig, in welke richting de grote V-antenne moest worden opgehangen, opdat de golven zo zuiver mogelijk naar New York zouden worden uitgestraald. Maar tussen de 60 meter lange, armen van deze V bevonden zich verschillende mierenheuvels op de kop van tamelijk hoge, dichtbegroeide heuvels, - en in de handleidingen stond, dat zich tot zes meter onder de antenne-armen geen hindernis mocht bevinden, en dat de antenne het best ongeveer negen meter boven de grond kon hangen. Het klinkt als een overspannen denkbeeld, nietwaar, om honderden kubieke meters aarde te verplaatsen alleen maar om er een antenne op te kunnen plaatsen. . . De Belgische plantage-eigenaar echter zei, dat hij het maar wat best vond, dat die vervloekte mierennesten daar verdwenen, het was trouwens de stille tijd en honderden van zijn arbeiders hadden toch niets te doen, wij konden dus over ze beschikken. En zo werd dat denkbeeld realiteit, een dagenlange zwetende, zwoegende realiteit van honderden mannen, resulterend in een slanke, hoge mast, die als een belofte alvast in de aether prikte en ons, leden van de expeditie, en alle inboorlingen die er naar keken, hogelijk opgewonden maakte. De 25e was Charley gereed. Of ik al die tijd niet nauwgezet zijn vorderingen had gadegeslagen en van de hele boel niets afwist, - zo officieel en plechtig kwam hij het me zeggen: "De boel is gereed. . . we kunnen vannacht de wereld oproepen!" Ik schonk een borrel. En door mijn hoofd spookte dat denkbeeld: vannacht... vannacht.. . . dan zItten er honderden, misschien duizenden vreemden, in Amerika en elders, voor hun ontvangapparaten, en draaien als krankzinnigen aan allerlei knoppen, om als eersten de stem op te vangen van station OQ5ZZ . . . Wat een denkbeeld! Ik schonk nog een borrel   De 29e 'smiddags kwam een inboorling van het postkantoor naar ons kamp gefietst en overhandigde mij een telegram. Het kwam van mrs. Dorothy Hall: "Heb niets opgevangen; heb je de afspraak vergeten?" De afspraak vergeten? . . . of wij niet van angst en misère en levensmoeheid gezweet en gehuild hadden in die nacht van de 25e, en alle nachten daarna, bij de Hallicrafter-ontvanger, waar doorheen honderden geagiteerde stemmen kwamen van: "Hallo OQ5ZZ... hallo OQ5ZZ... kunt u mij horen? kunt u mij horen? . . . hier W21XY (of een andere code) - hier W21XY . . . hallo OQ5ZZ. . . hallo Gatti-expeditie. . . kunt u mij horen?" . . . Honderden stemmen, roepend, pleitend, bezorgd, nerveus. . . Of wij de afspraak vergéten hadden? . . . wij in onze onmacht om ook maar één woord de lucht in te zenden? . . . Ha! het was of men ons gekneveld had en een prop in de mond gestopt, terwijl ons gehoor welhaast boyenmenselijk fijn en scherp werd. . . Vergeten? Charley en ik, wij hadden de laatste vijf dagen weinig anders gedaan dan onze kostbare apparaten vervloekt en uitgescholden en bijna in elkaar getrapt. We hadden gedraaid en gemorreld aan alle knoppen en switches en handles, die er maar aan vast zaten, in alle denkbare combinaties, - wij klopten en schopten tegen het apparaat, hielden het omgekeerd en op zijn zijde, nu eens links en dan weer rechts, - we hadden door buizen geblazen en schroefjes los- en vastgedraaid, verbindingen verbroken en weer vastgesoldeerd, met schroevendraaiers en stokjes gepeuterd tussen twee millioen pietepeuterige draadjes, wij hadden gebeden en gevloekt en wij leefden op de rand van krankzinnig worden en uitputting. . . en wij hadden gebruld en gejankt door de microphoon tot het ons zwart voor ogen zag: "Hier OQ5ZZ . . . hier de 10e Afrikaanse Gatti-expeditie in Belgisch Congo. . . Amerika, kunt u ons verstaan? . . ." De een riep het, de ander rukte en draaide aan alle knoppen tegelijk, schopte en omarmde het apparaat radeloos: "Wij roepen Amerika! . . . Amerika dan toch! . . . hier OQ5ZZ! . . . hallo? hallo? . . . halló!!!" (Niets - weer niets - weer niets - niets - weer niets - niets!) " Hier is (niets - niets - niets!!!) en spreekt uit Belgisch Congo naar Amerika. Hallo?! hallo?! Amerika. . . Amerika!!!" 0 vervloekt- vervloekt - vervloekt. . . niets - niets - helemaal en nooit niets! Op de 30e ging ik naar Stanleyville. Een gebroken man. Mrs. Dorothy Hall kreeg een telegram: "Afspraak niet vergeten - ontving jullie duidelijk doch kon zelf niet uitzenden - rot apparaat." Toen het telegram er uit was, ging ik naar de Belgische bestuursambtenaar om wat zaken te regelen. Een boom van een kerel, verweerd, zo zwart als een neger en met een gezicht als een doorlopend onweer, geen mens had hem ooit zien lachen. Maar ditmaal, zo dat hij mij zag, straalde zijn gezicht, en hij schudde me fanatiek beide handen: "Kerel, kerel! Ik dacht, dat ik nogal wat Engels kon, maar jullie hebben me van die waanidee radicaal genezen! Wat ik in de laatste dagen over jullie zender opving, staat in geen enkel boek, formidabel wat een rijke taal hebben jullie. . . mijn toestel staat er nog van te bekomen!" Ik stond perplex. Voelde mijn hoofd uitzetten tot tweemaal normale omvang. Stotterde er maar wat op los: " . . . Niet de bedoeling dat 't werd afgeluisterd... privé-opmerkingen... ellendig apparaat... snap er niets van. . . dode zone, want Amerika hoorde niets. . ." Maar de man woof alle smoesjes weg, zijn enthousiasme was echt gemeend en grenzeloos: "Schei uit, zeg. . . 't was prachtig! Prachtig!!! Moet je de lui in de soos erover horen! . . . en niet te vergeten de dames, als die onder elkaar zijn!" Wij braken ons station af. Terneergeslagen. Verdrietig. Niet eens meer boos of opstandig. We namen de kisten nog wel mee naar ons basiskamp. Inghiresa, stamhoofd, liet ze door zijn beste dragers brengen. Ondersteboven natuurlijk, - maar dat is al een oud grapje. We lieten ze eerst enkele dagen staan, wrokkend over de eerste nederlaag en hielden ons met andere zaken bezig. Toen kwam de dag, dat Charley ze toch opende. En hij vroeg mijn toestemming om de Hallicrafter van kist 46, die wij in ons vorig kamp hadden geprobeerd, uit elkaar te halen. Ik knikte. Twee uur later kwam hij me halen. Met rode kop en driftige bewegingen. De kamptafel in zijn tent was een uitstalling van radio-onderdelen. En op een brede plank op de grond, lag, als een ontweid dier, het zendapparaat. "Dáár!" wees Charley. ' Ik bukte me. Charley peuterde met een schroevendraaier. Toen siste en sputterde en kankerde er iets in de buik van de zender. En even later haalden wij er een verschrompelde, maar springlevende en vreselijk kwade hoornkameleon uit, die zich nog erger opwond in de versperringen van buisjes en draden, waar wij hem tussenuit trokken. . . Wanneer, en hoe dat stuk ongeluk in onze zender terecht was gekomen, is altijd een raadsel gebleven. Maar Afrika is een land van raadsels. En, waarom of zijn aanwezigheid in de buik van het apparaat de functionnering saboteerde, is ook een van die raadsels. Zes dagen later zonden wij uit. Vanaf een reusachtige open plek op een heuvel, waar drie bomen nog stonden. Pygmeeën hadden de antenne daar hoog boven gehesen en bevestigd. Wij schakelden die nacht in, druipend van zweet en nervositeit, en ik geloof, dat mijn stem niet zo dapper en zelfverzekerd heeft geklonken, als wel hoort bij een aankondiging als: "Hallo - hallo!!! hier is OQ5ZZ . . . de 10e Afrikaanse Gatti-expeditie in Belgisch- Congo . . . ! OQ5ZZ roept Amerika. . . roept Amerika!!!" Het werd een triomf. Over de hele wereld hoorde men onze stemmen. En wij kregen een brok in de keel, toen na het overschakelen op de ontvanger, wij van honderden kanten enthousiast hoorden: "Hallo OQ5ZZ! . . . hallo Gatti- expeditie! . . . hier de zus-en-zoveel. . . ik ontvang u uitstekend - ik ontvang u uitstekend... Gelukgewenst, vriend! . . ."    

GEEN BLANKE MAGIE VOOR AFRIKA

Ons basiskamp lag op de rand van het eeuwiggroene, equatoriaal regenwoud, de oneindige oceaan van groen, wier woeste, hemelhoge golven over geheel Centraal-Afrika spoelen, de hier en daar verspreid liggende eilanden van menselijke beschaving voorbij rollen, verder, almaar verder, tot aan de kusten van de Atlantische Oceaan toe. Het hart van deze wildernis is tot op heden door geen mens beroerd; duizenden vierkante kilometers duisternis en vochtigheid en benauwenis en ondoordringbaarheid, geen mens heeft er zich ooit binnen gewaagd, geen blanke, en geen pygmee-jager, want dat hart is de taboezone van het Itoeri-, Kibali- en Epoeloe-oerbos. Een uithoek van de aardbol, op de landkaarten met een schaal van I : 250.000 aangegeven als enkele kwadraat-centimeters van een volkomen leeg wit, door cartografen met bureaucratische koudbloedigheid gekwalificeerd met slechts een enkel woord: ontoegankelijk. Daar is een oerwereld, die sinds de scheppingsdagen onveranderd bleef. Wat er achter de hemelhoge, duistergroene barrières te vinden is? Geen sterveling die het weet. Soms, hier of daar, waagt de mens zich, in zijn honger naar humusgrond, wat dieper in die woestenij, ver is het niet, maar dan nog is het voldoende om hem te confronteren met wezens, die hij als niet bestaanbaar achtte. Want nergens in onze wereld is er de eeuwigheid zó eeuwig gebleven. Men kan er dieren zien, die ook elders in Afrika voorkomen, maar hier zijn ze anders. Hier hebben zij verkleinde proporties aangenomen: dwerg-antilopen, dwerg-buffels, dwerg-"nijlpaarden", dwerg- olifanten, en de mensen zijn er dwergen. Of, hun grootte heeft er zich verdubbeld: reuzen-gorilla's, reuzen-aardvarkens, reuzen-wildzwijnen. En andere diersoorten zijn elders reeds lang uitgestorven, hun restanten worden in bepaalde gebieden van de wereld alleen nog aangetroffen in een stadium van verstening, steenmonumenten uit het leven en door het leven uitgehouwen met de beitels van dood en tijd: de gehoornde kameleon, het hylochoerus (wiens voorvaderen in het pliozaen in Europa en Azië leefden), de Okwapi, deze wonderlijkste aller "levende versteningen", die zich nauwelijks onderscheidt van de samotherium, de "voorwereldlijke" giraffe, die ongeveer 15 millioen jaar geleden daar leefde, waar nu Griekenland is . . . Daar - op de rand van die oerwereld, in de groene, kletsnatte schaduw van het bos, lag ons basiskamp. En elke avond, in die begintijd, kwamen wij bij elkaar in onze radiotent en wij kregen direct, naar eigen keus, contact met New York, met Parijs of Londen, San Francisco, Kaapstad, Malta, Caïro, met Cuba of Manilla, Iowa of Rhodesia of Brazilië. . . wat en wie wij maar wilden. Urenlang zaten wij dan, niet meer diep en eenzaam, in het hart van equatoriaal Afrika, maar praatten wij gezellig met een Ierse bankier, een Indische student, een Chinese koopman. En zo was het, dat in die nachten de blanke magie de sterrenluchten van Itoeri beheerste, - en roerloos gehurkt bij de vuren, in een dichte kring, ondergingen Mamboeti-pygmeeën die magie. Ons kamp stond op een grote, open plek aan de bosrand. Er stonden slechts drie bomen. Dat vertelde ik reeds. In die bomen zat de antenne. Nu was het zo, dat sinds de oudste tijden die openheid de meest bezochte voederplek was van vooral kudden dwergolifanten en van dwerg-"nijlpaarden". De stammen van de drie bomen glommen als gepolijst, zoveel generaties olifantjes en nijlpaardjes hadden zich er tegen geschuurd en geschurkt. Het was spijtig voor ze, dat het juist die openheid moest zijn, die in verre omtrek de enige geschikte was om het hele dorp van tenten, voorraad- en slaapschuren te bergen, waar ons basiskamp tot uitgroeide. Spijtig - maar ze lieten zich er niet door afschrikken. Niet door de aanwezigheid van mensen, niet door de vele voor hen ongetwijfeld onaangename luchtjes, niet door het lawaal van de aggregaten. Ze bleven komen, zo opdringerig, dat wij ons kamp alleen nog konden beveiligen met een schrikdraad, die op 60 centimeter hoogte, langs glazen isolatoren op in de grond geslagen palen, rondom de hele openheid spande. Een speciale transformator zette de door het aggregaat geleverde 110 volt-stroom om in een knetterende 450 volt en als men 's nachts per ongeluk tegen de onzichtbare draad optuinde, kreeg men een stevige oplawaai, een vonkenregen barstte los en het knalde oorverdovend. Dodelijk was dat geval niet. Ik heb het zelf aan den lijve ondervonden op een avond. Ik kwam alleen meters verderop tegen de grond, duizelde van de dreun, maar zelfs mijn benen waren niet verbrand. Ach. . . en wat heeft het in die eerste dagen gevonkenspetterd en geknald, en wat een tumult maakten de dolgeschrokken dieren, die hals over kop weer rechtsomkeert maakten! . . . Maar na de eerste week werd het al minder. Sporadisch nog maar kwamen er dieren een kijkje nemen. We zagen in het schijnsel van de houtvuren hun ogen glanzen in de bosrand. En soms was er nog een knal en een spetterende vonkenregen en de erbarmelijke schreeuw van een dodelijk geschrokken dier. . . maar dat alles minderde. En op het laatst gebeurde er niets meer langs de schrikdraad. En . . . Ja, natuurlijk. . . en toen werden wij zorgeloos en slordig met de draad. Die ene avond bewees het. . . Wij waren, laat me het zo kort en duidelijk mogelijk zeggen, verschrikkelijk zelfverzekerd en eerzuchtig geworden door onze OQ5ZZ. We wisten, dat avond aan avond over de hele wereld duizenden naar ons luisterden en tegen ons als een soort "Uebermenschen" opzagen, omdat wij daar in die eenzame, woeste wildernis zaten, wat nogal erg op hun verbeelding werkte. De eerlijkheid gebiedt mij er bij te zeggen, dat wij niet de minste moeite deden om hun teleur te stellen in hun atavistische voorstellingen. . . integendeel: wij vertelden, met onverschillige stemmen waarin echter een klank van vermoeidheid en de zenuwspanning van doorlopend op de hoede te moeten zijn tegen de gevaren van het bos, niet was mis te verstaan, - over gifslangen, olifanten, luipaarden .. . wij maakten er complete programma's van: een inleiding van mij over de gebeurtenissen van de dag, groeten aan alle familieleden en vrienden van de expeditieleden, daarna zwaarmoedige liederen van onze dragers, een avontuurlijk verhaal van Charlie, en dan een keur van onze beste, zelfopgenomen gramofoonplaten met wilde, primitieve pygmeeënliederen met begeleiding van tamtams. . . ach, wat hebben we ons uitgesloofd voor al die luisteraars in hun gerieflijke, stenen huizen met buiten in de nachthemel het gewarrel van lichtreclames en de eeuwige gonzing van een millioen stemmen en auto-claxons. . . we hoorden ze zowat naar adem snakken bij zoveel woeste romantiek, kersvers door de aether aangevoerd uit Itoeri! En zo was het nu ook die avond, dat we ons gereed maakten voor een uitzending, die alle vorige in de schaduw moest stellen. Prachtverhalen hadden we, prachtliederen, pracht tromgeroffel. Vijf werelddelen wachtten op het in zo korte tijd bekend geworden signaal: "Hallo - hallo!!! Luisteraars waar ook ter wereld. . . hier spreekt OQ5ZZ, de 10e Afrikaanse Gatti-expeditie, uit het hart van equatoriaal Afrika!" Een magnifieke avond. Schoongewassen hemel. Geen storingen. Een duchtig na-gecontroleerd, betrouwbaar apparaat. . . wij met onze verhalen, onze gramofoonplaten . . . daar buiten de pygmeeën met hun tamtams. . . dat werd me wat! "Allemaal klaar?" vroeg Charley, als elke keer weer zo opgewonden als een kind. "Ga je gang maar!" knikte ik. En op dat ogenblik brak het helse tumult los. De pygmeeën stoven als een opgeschrikte zwerm grauwe mussen uit elkaar. Overal gilden stemmen opgewonden en beangst. Daar tussen door schetterde een oorverdovend olifantengetrompetter. Gekraak en gestamp. . . Charley was bewonderenswaardig: wel keek hij met zulke ogen naar me, en zijn vrije hand tastte naar het geweer dat tegen de radio tafel stond, maar dwars door alle tumult sprak hij in de microphoon: "Hier is dan weer OQ5ZZ.. en ditmaal met een speciaal programma!! Hallo - hallo luisteraars, vrienden over de hele wer...!" En ik weet, dat maanden later nog, overal verspreid over de aardbol, honderden radio-amateurs vergeefs te middernacht aan knoppen draaiden en zich afvroegen, waarom eigenlijk zo plotseling OQ5ZZ uit de aether verdwenen was. . . Mijn eerste gedachte en reactie waren: "De schrikdraad!!" - en opspringen, geweer grijpen, en weg! de tent uit, midden in de daverende nacht. Natuurlijk! . . . de stroom was niet ingeschakeld! Ik vond de handle, rukte die omlaag. . . het spetterde en knalde en toen helemaal niets meer. . . de draad moest verbroken zijn. Kon niet anders, de olifanten waren reeds midden in ons dorp! Het maanlicht schiep een bespookte wereld in de openheid. Het was een en al beweging en lawaai, geen mens kon er uit wijs. . . Dáár! een zware kolos bewoog zich in de richting van de bomen. . . ik knalde in de lucht - repeteerde - knalde- repeteerde - knalde. . . vier - vijf maal. . . Nog meer verwarring! En ginds zowaar alweer een sproeiende vonkenregen en een knal, nerveus getrompetter of er een olifant werd gekeeld. . . uit de radiotent raasden toringen, duizendvoudig verhevigd door de versterker. . . Dragers renden rond met rokende flambouwen en opgeheven kapmessen, pygmeeën doken als ratten uit en in het duister met hun wapens, schichtige lichtbundels uit batterijlampen joegen in het rond. . . weer vonkenregens, machinegeweervuur uit de schrikdraad, galmende donderslagen uit de radiotent. . . wàt een feest was dat! En toen viel alle licht uit. Met één klap. De plotseling niet meer belaste motor van het aggregaat jankte en gierde tot een sirenegeloei. . . er was, zomaar, een stom "nijl"-paardje over de verbindingskabel gestruikeld. Tien minuten later brandde het licht weer. En waren de dieren verdwenen. En onze zender en onze ontvanger voorlopig onbruikbaar. Die nacht kon ik de slaap niet vatten. Tenslotte kwam ik van het veldbed af. De nacht was kil en vochtig en zwaar van geuren. De openheid lag in een vage, rosse schemer, want de wachtvuren brandden nog. Over het oerbos lag het zilver van de maan. Daaronder waren spelonken van duisternis. In de sterrenhemel gonsden de nachtgeluiden. Het gesuizel van miriaden bladertrossen. En dierengeluiden. Hoe ver weg? Hoe dichtbij? Dit was Afrika. . . Een diep, warm gevoel van affectie doorstroomde mij. Ik opende en loot mijn handen en opende ze weer, alsof ik iets wilde grijpen en ik keek omhoog naar de sterren en ademde diep de vochtige geuren in . . . Afrika. . . Afrika. . . En opeens dacht ik er aan, wat ik eigenlijk in de laatste maanden van dit Afrika had gemaakt. Een gekkenvertoning in een benauwde radiotent, alleen maar omdat ik mijn eigen stem zo graag gehoord wilde hebben over de wereld. . . Praten en wauwelen en zweten. . . terwijl hier buiten de nacht ademde, groots en geweldig en Afrikaans. . . . Goed, zender en ontvanger zijn gerepareerd. Maar wij hebben ze niet meer gebruikt voor programma's als tevoren. Daar zijn wij radicaal mee gestopt. De grote antenne werd uit de bomen gehaald. Die werd vervangen door de korte en eenvoudiger antenne, waarmee wij, met gebruikmaking van een kristalletje, het postkantoor van Iroemoe nog net konden bereiken. . . en dat was voldoende voor onze werkzaamheden. Afrika had afgerekend met de blanke magie. ! In ons hart. En de nachtelijke hemel van Itoeri was weer tot rust gekomen.  

Blanke magie

Het verhaal van OQ5ZZ

Weer terug in Nairobi OQ5ZZ, call van het station dat tijdens de tiende Expeditie van Gatti aktief was. Gatti achter de microfoon van OQ5ZZ De Okwapi Een jonge Bongo
Op zoek naar het boek Africa the Adventure, vond ik in de bibliotheek een ander boek van Attilio Gatti, uitgegeven door Meulenhoff. Misschien is het verhaal dat ik vond, wel echt de eerste expeditie, echter niet opgezet voor het maken van QSO's   Source: Mistiek Afrika, 1955, door Ton Schilling From Tom-Toms in the Night & Black Mist, by Attilo Gatti Reprinted by Wino, PA0ABM

OQ5ZZ

Het  was in New York, dat ik bij louter toeval, en kort voor mijn Belgisch-Congo-expeditie, in aanraking kwam met mrs. Dorothy Hall uit Springfield (Long Island), een van de ervarenste en sympathiekste kortegolf-radioamateurs in Amerika, en bij duizenden collega's over de hele wereld bekend. "Zo'n expeditie als de uwe moet gewoonweg een kortegolf-zend- en ontvangapparaat hebben!" stelde ze bondig vast. "Dan kunt u op elk gewenst ogenblik contact hebben met Amerika, uw familieleden op de hoogte houden hoe het u gaat, u kunt om hulp vragen, wanneer dat nodig is; en als u nog wat reserve-apparatuur mee- neemt, kunt u vanuit uw basiskamp doorlopend in contact blijven met medewerkers, die elders in de wildernis zitten. En vertelt u 's, hoe vaak kunt u daarginds post ontvangen of versturen?" - "Nou, niet zo vaak. . ." antwoordde ik, "misschien zo'n tweemaal per maand, als we tenminste in de buurt van een grote weg zitten, als de postauto niet in elkaar gezakt is en als er geen bruggen zijn weggeslagen door de regenval." - "Zie je wel! daar heb je 't al!" riep ze triomfantelijk uit. "Weet u, dat in Belgisch-Congo practisch elk postkantoor over een kortegolf zend- en ontvangapparaat beschikt? Alles wat u te doen heeft is er zelf een aan te schaffen en een vergunning aan te vragen aan het gouvernement, dan kunt u een regeling treffen met het dichtst-bijzijnde postkantoor. Telkens als u een telegram wilt versturen, dicteert u dat gewoon in uw microphoon, of omgekeerd: geeft het postkantoor u via uw ontvangapparaat berichten door die voor u zijn bestemd. Een kwestie van minuten, in plaats van weken of maanden. U kunt bijvoorbeeld ook een ongeluk krijgen en ogenblikkelijk medische hulp nodig heb- ben. . . u kunt een kist met filmen of onvervangbaar cameramateriaal verspelen. . . wat niet al meer! Een bericht over uw zender, en alles wat u nodig heeft wordt u achterna gestuurd, desnoods uit een vliegtuig gedropped!" Ik was al gecapituleerd! Alles wat nog moeilijkheden opleverde was, dat ik, zo in de voor- avond van een nieuwe expeditie, practisch geen rode cent meer bezat. In enkele maanden tijds had ik vele duizenden uitgegeven aan het beste foto- en filmmateriaal, dat te koop was, kostbare lenzen en tele- objectieven, kisten vol van de modernste, lichtsterkste platen en filmen, filters, blitzlampen, ontwikkel-benodigdheden; drie aggregaten die voor de 110 volt wisselstroom konden zorgen, die wij in de wildernis nodig hadden; een complete apparatuur om gramofoonplaten te snijden en stapels daarbij behorende materialen; voorts had ik mij de noodzakelijke maar zeer dure medewerking verzekerd van een cameraman, een assistent-operateur, een mecanicien en een electricien; en nog veel meer. . . wat komt er al niet kijken bij de samenstelling van een expeditie? En dan straks, in Afrika, wat een waandenkbeeld te denken, dat het leven daar zowat niets kostte, ook al betaalde men zijn dragers met francs en de pygmeeën met zout. . . Maar mrs. Hall liet me niet los. Zij krabbelde namen, adressen en prijzen in haar notitieboekje, ging aan het rekenen en berekenen en herrekenen, zij telefoneerde en telegrafeerde links en rechts en ten- slotte liet ze mij een lijstje zien, waarvan alleen de eindsom direct mijn belangstelling opeiste: in plaats van de duizenden te zien, die ik had verwacht, zag ik daar een bedrag van wat honderden dollars! "Maar is het niet een vreselijk ingewikkelde bedoening?" vroeg ik nog. "Ik heb beslist geen tijd meer om een cursus te volgen!" Energiek woof mrs. Hall ook dat bezwaar uit de lucht: "Wel neen. . . In Amerika moet men wel eerst een examen hebben afgelegd, voor men in de lucht mag komen, maar in Belgisch Congo is dat geen vereiste'.Ik zal u wel een handleiding geven en trouwens, bIJ alle materiaal krijgt u handige instructieboekjes. Lees ze door en in enkele uren tijds heeft u de zaak onder de knie!" Wel, om het kort te maken, ik bestelde. En de kisten kwamen. En al stonden we een paar dagen voor ons vertrek, mijn electricien Charlie en ik konden onze nieuwsgierigheid niet meer bedwingen en maakten de kisten open. In de nummers 43 en 45 zaten dan die wonderen: de twee Hallicrafter-ontvangers met bijbehorende luidsprekers! Iedere amateur zwoer in die tijd bij Hallicrafters, een woord dat samengesteld werd uit de naam van Bill Halligan (de geniale pionier op het gebied van de kortegolf radio) en het begrip "crafters", dat de handenarbeid aanduidde waarmee in het begin de amateur zijn eigen apparaat in elkaar knutselde. Bill Halligan was de man, die toen radicaal een eind maakte aan alle eigen gepruts en van het apparaat een fabrieksproduct maakte: een betoverend klein wondergeval, niet groter dan een gewoon radio- apparaat, met slechts een paar schalen en knoppen, en tegen vocht en roest beveiligd in een dun stalen box. En dan waren er de kisten 44 en 46 met de twee zend-apparaten, en kisten met complete sets reserve-onderdelen, alles bij elkaar een indrukwekkende hoeveelheid onbegrijpelijkheden. "Niets aan!" had mrs. Hall uitgeroepen: "Jullie hebt 't zo onder de knie . . . lees de boekjes maar door!" Maar zó eenvoudig was het beslist niet. Charlie en ik lieten ons dagenlang instrueren, voor we er iets van snapten en voor mij was het toen alleen nog maar dit: uit een van de krachtbronnen moest een kabel worden aangesloten op een Hallicrafter, het juiste einde van de antenne ergens insteken, een knop omdraaien, dan wachten tot het apparaat was warm geworden, wat je kon weten door het bewegen van een paar scala-pijltjes tot die op een bepaald punt bleven staan. Dan begonnen andere pijltjes uit te slaan. En een kleine handle moest omlaag - en dan kon je in een microphoon praten en de hele wereld hoorde je stem! Een bepaalde knop mgedraaid, de pijltjes kantelden de andere kant op, - en uit je luidspreker klonken stemmen uit het Grote Niets: collega's-radioamateurs! Zo was het! Dat wisten we ervan! Mrs. Hall bood mij aan, haar eigen station als ons "moederstation" te laten fungeren, d.w.z. als het station in Amerika dat over het onze zou "waken", onze berichten op vaste tijden opvangen en doorgeven naar de betrokken adressen, enz. En intussen had ik via de Belgische ambassade een vergunning aangevraagd. Die kreeg ik binnen enkele dagen in bezit en het was met iets van trotse opwinding, toen ik er, vet en zwart, het codenummer van "ons eigen station" op zag staan: OQ5ZZ! . . . OQ5, dat was de internationale code voor de Belgische Congo, ZZ de onze. . . Stel je voor: OQ5ZZ, het radiostation van de l0e Afrikaanse Gatti-expeditie! Dat was in 1938, en geen sterveling dacht nog aan oorlog. De kortegolf radio-amateurs beschouwden ons experiment als heel belangrijk en ze zochten bij bosjes contact: studenten en professoren, vrachtwagenchauffeurs en rechters, vuilnismannen en kantoorklerken. . . van alle kanten kwamen hun brieven binnen, vol hartelijke wensen en aanbieding van hulp en goede raad, het was hartverwarmend en bezielend, deze corpsgeest van de amateurs! Enkele jaren later beheerste dezelfde Hallicrafter, als ruggegraat van de over leven of dood beslissende verbindingen der meeste geallieerde strijdkrachten, de oorlog. Begrijpelijk - maar hoe diep treurig ook, en welk een zinnebeeld voor onze moderne "beschaving", dat zulk een kostelijk apparaat, waarmee honderdduizenden over de gehele aardbol het avontuur in de aether zochten en daarbij zich vrienden wonnen - op alle werelddelen, - geperfectionneerd moest worden ten dienste van de vernietiging. . .  

DE STEM

Ik geloof, dat het feit dat onze expeditie over een eigen radiostation beschikte, er schuldig aan was, dat wij reeds drie kilometer buiten Stanleyville, op een plantage, ons eerste kamp opsloegen. Natuurlijk, tegen elkaar zeiden we: "We moeten de boel nog aangeven en controleren of er geen schade is aangericht door de reis, en we moeten er nog eerst mee experimenteren, want als we straks diep in de wildernis zitten, hebben we geen kans meer om eventuele mankementen en zo, snel in orde te brengen. . ." En nog een hoop meer argumenten brachten we te berde en wij knikten tegen elkaar - maar in werkelijkheid waren wij brandend nieuwsgierig en ongeduldig om onze stem in de aether te sturen. Met alle bagage kwamen ook de kisten het kamp binnen: stevige kisten met bescharnierde deksels, fikse sloten er op, prachtig beschilderd met de aanduiding dat ze het zendstation OQ5ZZ van de l0e Afrikaanse Gatti-expeditie bevatten, - en nog duidelijker de waarschuwingen, compleet met vette pijlen: "Deze kant boven - radio-apparatuur - breekbaar - voorzichtig". Dat was bedoeld voor elke inboorling, die ermee te maken kreeg, en die ze derhalve met dat nooit-missende talent ondersteboven versjouwde en vaker en harder met ze smeet dan met de andere kisten. . . We stonden er allemaal omheen, toen Charlie ze, met een bijna plechtig en tegelijk liefderijk gebaar, ontsloot. Daar lag onze onrust, onze nieuwsgierigheid, ons ongeduld. . . "Wel. . ." zei Charlie . . . "laten we ze proberen. Waar en hoe wil je ze opgesteld hebben?" Op dat ogenblik overviel me een gevoel van grote onzekerheid. Ze keken allemaal naar mij, vol verwachting en vertrouwen. En . . . en . . . en ik had zo'n zend- en ontvangstation nog niet anders gezien dan al kant en klaar in elkaar gezet, compleet met de opstelling van de antenne en zo meer. . . en ik wist ièts van knopjes en handletjes en wijzertjes . . . maar om nu zo uit het hoofd, met wat instructieboekjes in de hand - wie was de optimist, die ze duidelijk en overzichtelijk noemde? - zèlf een station in elkaar te goochelen, daar. . . "Hoor 's hier, brave," zei ik ietwat te autoritair, "wie is hier de electricien, jij of ik? Wij zijn op safari gewend, elk ons eigen werk te doen, ga dus meteen maar je gang. Trouwens, ik heb wel wat anders te doen, dan me hiermee bezig te houden. . . Tussen twee haakjes: je weet hoe mrs. Dorothy Hall zich voor ons heeft uitgesloofd, het is dus niet minder dan een kwestie van plicht, dat wij ons eerste contact met háár zoeken. Vertel me dus maar, wanneer je denkt klaar te zijn, dan stuur ik haar een telegram van be- houden aankomst en deel haar mee, dat ze ons op die en die tijd in de lucht kan verwachten. En dat telegram moet er liefst vandaag nog uit, want dan heeft ze nog tijd, om haar collega's een seintje te geven. . ." Het klonk zeer beslist en overtuigend, en Charly knikte me dan ook toe en iedereen had respect in de ogen vanwege zo'n vlotte beslissing van de expeditie-leider. "Het is nu de 15e. . ." stelde Charly voor, " . . . wat denk je ervan, als ik de boel de 25e te middernacht gereed heb voor een uitzending?" Aldus werd besloten. En met omhooggestroopte mouwen, een keur van de beste helpers te zijner beschikking, geestdrift in de ogen en alle instructieboekjes om zich heen opengespreid, stortte Charley zich op de kisten. Eerste moeilijkheid: Charley berekende nauwkeurig, in welke richting de grote V-antenne moest worden opgehangen, opdat de golven zo zuiver mogelijk naar New York zouden worden uitgestraald. Maar tussen de 60 meter lange, armen van deze V bevonden zich verschillende mierenheuvels op de kop van tamelijk hoge, dichtbegroeide heuvels, - en in de handleidingen stond, dat zich tot zes meter onder de antenne-armen geen hindernis mocht bevinden, en dat de antenne het best ongeveer negen meter boven de grond kon hangen. Het klinkt als een overspannen denkbeeld, nietwaar, om honderden kubieke meters aarde te verplaatsen alleen maar om er een antenne op te kunnen plaatsen. . . De Belgische plantage-eigenaar echter zei, dat hij het maar wat best vond, dat die vervloekte mierennesten daar verdwenen, het was trouwens de stille tijd en honderden van zijn arbeiders hadden toch niets te doen, wij konden dus over ze beschikken. En zo werd dat denkbeeld realiteit, een dagenlange zwetende, zwoegende realiteit van honderden mannen, resulterend in een slanke, hoge mast, die als een belofte alvast in de aether prikte en ons, leden van de expeditie, en alle inboorlingen die er naar keken, hogelijk opgewonden maakte. De 25e was Charley gereed. Of ik al die tijd niet nauwgezet zijn vorderingen had gadegeslagen en van de hele boel niets afwist, - zo officieel en plechtig kwam hij het me zeggen: "De boel is gereed. . . we kunnen vannacht de wereld oproepen!" Ik schonk een borrel. En door mijn hoofd spookte dat denkbeeld: vannacht... vannacht.. . . dan zItten er honderden, misschien duizenden vreemden, in Amerika en elders, voor hun ontvangapparaten, en draaien als krankzinnigen aan allerlei knoppen, om als eersten de stem op te vangen van station OQ5ZZ . . . Wat een denkbeeld! Ik schonk nog een borrel   De 29e 'smiddags kwam een inboorling van het postkantoor naar ons kamp gefietst en overhandigde mij een telegram. Het kwam van mrs. Dorothy Hall: "Heb niets opgevangen; heb je de afspraak vergeten?" De afspraak vergeten? . . . of wij niet van angst en misère en levensmoeheid gezweet en gehuild hadden in die nacht van de 25e, en alle nachten daarna, bij de Hallicrafter-ontvanger, waar doorheen honderden geagiteerde stemmen kwamen van: "Hallo OQ5ZZ... hallo OQ5ZZ... kunt u mij horen? kunt u mij horen? . . . hier W21XY (of een andere code) - hier W21XY . . . hallo OQ5ZZ. . . hallo Gatti- expeditie. . . kunt u mij horen?" . . . Honderden stemmen, roepend, pleitend, bezorgd, nerveus. . . Of wij de afspraak vergéten hadden? . . . wij in onze onmacht om ook maar één woord de lucht in te zenden? . . . Ha! het was of men ons gekneveld had en een prop in de mond gestopt, terwijl ons gehoor welhaast boyenmenselijk fijn en scherp werd. . . Vergeten? Charley en ik, wij hadden de laatste vijf dagen weinig anders gedaan dan onze kostbare apparaten vervloekt en uitgescholden en bijna in elkaar getrapt. We hadden gedraaid en gemorreld aan alle knoppen en switches en handles, die er maar aan vast zaten, in alle denkbare combinaties, - wij klopten en schopten tegen het apparaat, hielden het omgekeerd en op zijn zijde, nu eens links en dan weer rechts, - we hadden door buizen geblazen en schroefjes los- en vastgedraaid, verbindingen verbroken en weer vastgesoldeerd, met schroevendraaiers en stokjes gepeuterd tussen twee millioen pietepeuterige draadjes, wij hadden gebeden en gevloekt en wij leefden op de rand van krankzinnig worden en uitputting. . . en wij hadden gebruld en gejankt door de microphoon tot het ons zwart voor ogen zag: "Hier OQ5ZZ . . . hier de 10e Afrikaanse Gatti-expeditie in Belgisch Congo. . . Amerika, kunt u ons verstaan? . . ." De een riep het, de ander rukte en draaide aan alle knoppen tegelijk, schopte en omarmde het apparaat radeloos: "Wij roepen Amerika! . . . Amerika dan toch! . . . hier OQ5ZZ! . . . hallo? hallo? . . . halló!!!" (Niets - weer niets - weer niets - niets - weer niets - niets!) " Hier is (niets - niets - niets!!!) en spreekt uit Belgisch Congo naar Amerika. Hallo?! hallo?! Amerika. . . Amerika!!!" 0 vervloekt- vervloekt - vervloekt. . . niets - niets - helemaal en nooit niets! Op de 30e ging ik naar Stanleyville. Een gebroken man. Mrs. Dorothy Hall kreeg een telegram: "Afspraak niet vergeten - ontving jullie duidelijk doch kon zelf niet uitzenden - rot apparaat." Toen het telegram er uit was, ging ik naar de Belgische bestuursambtenaar om wat zaken te regelen. Een boom van een kerel, verweerd, zo zwart als een neger en met een gezicht als een doorlopend onweer, geen mens had hem ooit zien lachen. Maar ditmaal, zo dat hij mij zag, straalde zijn gezicht, en hij schudde me fanatiek beide handen: "Kerel, kerel! Ik dacht, dat ik nogal wat Engels kon, maar jullie hebben me van die waanidee radicaal genezen! Wat ik in de laatste dagen over jullie zender opving, staat in geen enkel boek, formidabel wat een rijke taal hebben jullie. . . mijn toestel staat er nog van te bekomen!" Ik stond perplex. Voelde mijn hoofd uitzetten tot tweemaal normale omvang. Stotterde er maar wat op los: " . . . Niet de bedoeling dat 't werd afgeluisterd... privé-opmerkingen... ellendig apparaat... snap er niets van. . . dode zone, want Amerika hoorde niets. . ." Maar de man woof alle smoesjes weg, zijn enthousiasme was echt gemeend en grenzeloos: "Schei uit, zeg. . . 't was prachtig! Prachtig!!! Moet je de lui in de soos erover horen! . . . en niet te vergeten de dames, als die onder elkaar zijn!" Wij braken ons station af. Terneergeslagen. Verdrietig. Niet eens meer boos of opstandig. We namen de kisten nog wel mee naar ons basiskamp. Inghiresa, stamhoofd, liet ze door zijn beste dragers brengen. Ondersteboven natuurlijk, - maar dat is al een oud grapje. We lieten ze eerst enkele dagen staan, wrokkend over de eerste nederlaag en hielden ons met andere zaken bezig. Toen kwam de dag, dat Charley ze toch opende. En hij vroeg mijn toestemming om de Hallicrafter van kist 46, die wij in ons vorig kamp hadden geprobeerd, uit elkaar te halen. Ik knikte. Twee uur later kwam hij me halen. Met rode kop en driftige bewegingen. De kamptafel in zijn tent was een uitstalling van radio-onderdelen. En op een brede plank op de grond, lag, als een ontweid dier, het zendapparaat. "Dáár!" wees Charley. ' Ik bukte me. Charley peuterde met een schroevendraaier. Toen siste en sputterde en kankerde er iets in de buik van de zender. En even later haalden wij er een verschrompelde, maar springlevende en vreselijk kwade hoornkameleon uit, die zich nog erger opwond in de versperringen van buisjes en draden, waar wij hem tussenuit trokken. . . Wanneer, en hoe dat stuk ongeluk in onze zender terecht was gekomen, is altijd een raadsel gebleven. Maar Afrika is een land van raadsels. En, waarom of zijn aanwezigheid in de buik van het apparaat de functionnering saboteerde, is ook een van die raadsels. Zes dagen later zonden wij uit. Vanaf een reusachtige open plek op een heuvel, waar drie bomen nog stonden. Pygmeeën hadden de antenne daar hoog boven gehesen en bevestigd. Wij schakelden die nacht in, druipend van zweet en nervositeit, en ik geloof, dat mijn stem niet zo dapper en zelfverzekerd heeft geklonken, als wel hoort bij een aankondiging als: "Hallo - hallo!!! hier is OQ5ZZ . . . de 10e Afrikaanse Gatti-expeditie in Belgisch-Congo . . . ! OQ5ZZ roept Amerika. . . roept Amerika!!!" Het werd een triomf. Over de hele wereld hoorde men onze stemmen. En wij kregen een brok in de keel, toen na het overschakelen op de ontvanger, wij van honderden kanten enthousiast hoorden: "Hallo OQ5ZZ! . . . hallo Gatti-expeditie! . . . hier de zus-en-zoveel. . . ik ontvang u uitstekend - ik ontvang u uitstekend... Gelukgewenst, vriend! . . ."    

GEEN BLANKE MAGIE VOOR AFRIKA

Ons basiskamp lag op de rand van het eeuwiggroene, equatoriaal regenwoud, de oneindige oceaan van groen, wier woeste, hemelhoge golven over geheel Centraal-Afrika spoelen, de hier en daar verspreid liggende eilanden van menselijke beschaving voorbij rollen, verder, almaar verder, tot aan de kusten van de Atlantische Oceaan toe. Het hart van deze wildernis is tot op heden door geen mens beroerd; duizenden vierkante kilometers duisternis en vochtigheid en benauwenis en ondoordringbaarheid, geen mens heeft er zich ooit binnen gewaagd, geen blanke, en geen pygmee-jager, want dat hart is de taboezone van het Itoeri-, Kibali- en Epoeloe-oerbos. Een uithoek van de aardbol, op de landkaarten met een schaal van I : 250.000 aangegeven als enkele kwadraat-centimeters van een volkomen leeg wit, door cartografen met bureaucratische koudbloedigheid gekwalificeerd met slechts een enkel woord: ontoegankelijk. Daar is een oerwereld, die sinds de scheppingsdagen onveranderd bleef. Wat er achter de hemelhoge, duistergroene barrières te vinden is? Geen sterveling die het weet. Soms, hier of daar, waagt de mens zich, in zijn honger naar humusgrond, wat dieper in die woestenij, ver is het niet, maar dan nog is het voldoende om hem te confronteren met wezens, die hij als niet bestaanbaar achtte. Want nergens in onze wereld is er de eeuwigheid zó eeuwig gebleven. Men kan er dieren zien, die ook elders in Afrika voorkomen, maar hier zijn ze anders. Hier hebben zij verkleinde proporties aangenomen: dwerg-antilopen, dwerg-buffels, dwerg-"nijlpaarden", dwerg-olifanten, en de mensen zijn er dwergen. Of, hun grootte heeft er zich verdubbeld: reuzen-gorilla's, reuzen-aardvarkens, reuzen-wildzwijnen. En andere diersoorten zijn elders reeds lang uitgestorven, hun restanten worden in bepaalde gebieden van de wereld alleen nog aangetroffen in een stadium van verstening, steenmonumenten uit het leven en door het leven uitgehouwen met de beitels van dood en tijd: de gehoornde kameleon, het hylochoerus (wiens voorvaderen in het pliozaen in Europa en Azië leefden), de Okwapi, deze wonderlijkste aller "levende versteningen", die zich nauwelijks onderscheidt van de samotherium, de "voorwereldlijke" giraffe, die ongeveer 15 millioen jaar geleden daar leefde, waar nu Griekenland is . . . Daar - op de rand van die oerwereld, in de groene, kletsnatte schaduw van het bos, lag ons basiskamp. En elke avond, in die begintijd, kwamen wij bij elkaar in onze radiotent en wij kregen direct, naar eigen keus, contact met New York, met Parijs of Londen, San Francisco, Kaapstad, Malta, Caïro, met Cuba of Manilla, Iowa of Rhodesia of Brazilië. . . wat en wie wij maar wilden. Urenlang zaten wij dan, niet meer diep en eenzaam, in het hart van equatoriaal Afrika, maar praatten wij gezellig met een Ierse bankier, een Indische student, een Chinese koopman. En zo was het, dat in die nachten de blanke magie de sterrenluchten van Itoeri beheerste, - en roerloos gehurkt bij de vuren, in een dichte kring, ondergingen Mamboeti-pygmeeën die magie. Ons kamp stond op een grote, open plek aan de bosrand. Er stonden slechts drie bomen. Dat vertelde ik reeds. In die bomen zat de antenne. Nu was het zo, dat sinds de oudste tijden die openheid de meest bezochte voederplek was van vooral kudden dwergolifanten en van dwerg-"nijlpaarden". De stammen van de drie bomen glommen als gepolijst, zoveel generaties olifantjes en nijlpaardjes hadden zich er tegen geschuurd en geschurkt. Het was spijtig voor ze, dat het juist die openheid moest zijn, die in verre omtrek de enige geschikte was om het hele dorp van tenten, voorraad- en slaapschuren te bergen, waar ons basiskamp tot uitgroeide. Spijtig - maar ze lieten zich er niet door afschrikken. Niet door de aanwezigheid van mensen, niet door de vele voor hen ongetwijfeld onaangename luchtjes, niet door het lawaal van de aggregaten. Ze bleven komen, zo opdringerig, dat wij ons kamp alleen nog konden beveiligen met een schrikdraad, die op 60 centimeter hoogte, langs glazen isolatoren op in de grond geslagen palen, rondom de hele openheid spande. Een speciale transformator zette de door het aggregaat geleverde 110 volt-stroom om in een knetterende 450 volt en als men 's nachts per ongeluk tegen de onzichtbare draad optuinde, kreeg men een stevige oplawaai, een vonkenregen barstte los en het knalde oorverdovend. Dodelijk was dat geval niet. Ik heb het zelf aan den lijve ondervonden op een avond. Ik kwam alleen meters verderop tegen de grond, duizelde van de dreun, maar zelfs mijn benen waren niet verbrand. Ach. . . en wat heeft het in die eerste dagen gevonkenspetterd en geknald, en wat een tumult maakten de dolgeschrokken dieren, die hals over kop weer rechtsomkeert maakten! . . . Maar na de eerste week werd het al minder. Sporadisch nog maar kwamen er dieren een kijkje nemen. We zagen in het schijnsel van de houtvuren hun ogen glanzen in de bosrand. En soms was er nog een knal en een spetterende vonkenregen en de erbarmelijke schreeuw van een dodelijk geschrokken dier. . . maar dat alles minderde. En op het laatst gebeurde er niets meer langs de schrikdraad. En . . . Ja, natuurlijk. . . en toen werden wij zorgeloos en slordig met de draad. Die ene avond bewees het. . . Wij waren, laat me het zo kort en duidelijk mogelijk zeggen, verschrikkelijk zelfverzekerd en eerzuchtig geworden door onze OQ5ZZ. We wisten, dat avond aan avond over de hele wereld duizenden naar ons luisterden en tegen ons als een soort "Uebermenschen" opzagen, omdat wij daar in die eenzame, woeste wildernis zaten, wat nogal erg op hun verbeelding werkte. De eerlijkheid gebiedt mij er bij te zeggen, dat wij niet de minste moeite deden om hun teleur te stellen in hun atavistische voorstellingen. . . integendeel: wij vertelden, met onverschillige stemmen waarin echter een klank van vermoeidheid en de zenuwspanning van doorlopend op de hoede te moeten zijn tegen de gevaren van het bos, niet was mis te verstaan, - over gifslangen, olifanten, luipaarden .. . wij maakten er complete programma's van: een inleiding van mij over de gebeurtenissen van de dag, groeten aan alle familieleden en vrienden van de expeditieleden, daarna zwaarmoedige liederen van onze dragers, een avontuurlijk verhaal van Charlie, en dan een keur van onze beste, zelfopgenomen gramofoonplaten met wilde, primitieve pygmeeënliederen met begeleiding van tamtams. . . ach, wat hebben we ons uitgesloofd voor al die luisteraars in hun gerieflijke, stenen huizen met buiten in de nachthemel het gewarrel van lichtreclames en de eeuwige gonzing van een millioen stemmen en auto-claxons. . . we hoorden ze zowat naar adem snakken bij zoveel woeste romantiek, kersvers door de aether aangevoerd uit Itoeri! En zo was het nu ook die avond, dat we ons gereed maakten voor een uitzending, die alle vorige in de schaduw moest stellen. Prachtverhalen hadden we, prachtliederen, pracht tromgeroffel. Vijf werelddelen wachtten op het in zo korte tijd bekend geworden signaal: "Hallo - hallo!!! Luisteraars waar ook ter wereld. . . hier spreekt OQ5ZZ, de 10e Afrikaanse Gatti-expeditie, uit het hart van equatoriaal Afrika!" Een magnifieke avond. Schoongewassen hemel. Geen storingen. Een duchtig na-gecontroleerd, betrouwbaar apparaat. . . wij met onze verhalen, onze gramofoonplaten . . . daar buiten de pygmeeën met hun tamtams. . . dat werd me wat! "Allemaal klaar?" vroeg Charley, als elke keer weer zo opgewonden als een kind. "Ga je gang maar!" knikte ik. En op dat ogenblik brak het helse tumult los. De pygmeeën stoven als een opgeschrikte zwerm grauwe mussen uit elkaar. Overal gilden stemmen opgewonden en beangst. Daar tussen door schetterde een oorverdovend olifantengetrompetter. Gekraak en gestamp. . . Charley was bewonderenswaardig: wel keek hij met zulke ogen naar me, en zijn vrije hand tastte naar het geweer dat tegen de radio tafel stond, maar dwars door alle tumult sprak hij in de microphoon: "Hier is dan weer OQ5ZZ.. en ditmaal met een speciaal programma!! Hallo - hallo luisteraars, vrienden over de hele wer...!" En ik weet, dat maanden later nog, overal verspreid over de aardbol, honderden radio-amateurs vergeefs te middernacht aan knoppen draaiden en zich afvroegen, waarom eigenlijk zo plotseling OQ5ZZ uit de aether verdwenen was. . . Mijn eerste gedachte en reactie waren: "De schrikdraad!!" - en opspringen, geweer grijpen, en weg! de tent uit, midden in de daverende nacht. Natuurlijk! . . . de stroom was niet ingeschakeld! Ik vond de handle, rukte die omlaag. . . het spetterde en knalde en toen helemaal niets meer. . . de draad moest verbroken zijn. Kon niet anders, de olifanten waren reeds midden in ons dorp! Het maanlicht schiep een bespookte wereld in de openheid. Het was een en al beweging en lawaai, geen mens kon er uit wijs. . . Dáár! een zware kolos bewoog zich in de richting van de bomen. . . ik knalde in de lucht - repeteerde - knalde- repeteerde - knalde. . . vier - vijf maal. . . Nog meer verwarring! En ginds zowaar alweer een sproeiende vonkenregen en een knal, nerveus getrompetter of er een olifant werd gekeeld. . . uit de radiotent raasden toringen, duizendvoudig verhevigd door de versterker. . . Dragers renden rond met rokende flambouwen en opgeheven kapmessen, pygmeeën doken als ratten uit en in het duister met hun wapens, schichtige lichtbundels uit batterijlampen joegen in het rond. . . weer vonkenregens, machinegeweervuur uit de schrikdraad, galmende donderslagen uit de radiotent. . . wàt een feest was dat! En toen viel alle licht uit. Met één klap. De plotseling niet meer belaste motor van het aggregaat jankte en gierde tot een sirenegeloei. . . er was, zomaar, een stom "nijl"-paardje over de verbindingskabel gestruikeld. Tien minuten later brandde het licht weer. En waren de dieren verdwenen. En onze zender en onze ontvanger voorlopig onbruikbaar. Die nacht kon ik de slaap niet vatten. Tenslotte kwam ik van het veldbed af. De nacht was kil en vochtig en zwaar van geuren. De openheid lag in een vage, rosse schemer, want de wachtvuren brandden nog. Over het oerbos lag het zilver van de maan. Daaronder waren spelonken van duisternis. In de sterrenhemel gonsden de nachtgeluiden. Het gesuizel van miriaden bladertrossen. En dierengeluiden. Hoe ver weg? Hoe dichtbij? Dit was Afrika. . . Een diep, warm gevoel van affectie doorstroomde mij. Ik opende en loot mijn handen en opende ze weer, alsof ik iets wilde grijpen en ik keek omhoog naar de sterren en ademde diep de vochtige geuren in . . . Afrika. . . Afrika. . . En opeens dacht ik er aan, wat ik eigenlijk in de laatste maanden van dit Afrika had gemaakt. Een gekkenvertoning in een benauwde radiotent, alleen maar omdat ik mijn eigen stem zo graag gehoord wilde hebben over de wereld. . . Praten en wauwelen en zweten. . . terwijl hier buiten de nacht ademde, groots en geweldig en Afrikaans. . . . Goed, zender en ontvanger zijn gerepareerd. Maar wij hebben ze niet meer gebruikt voor programma's als tevoren. Daar zijn wij radicaal mee gestopt. De grote antenne werd uit de bomen gehaald. Die werd vervangen door de korte en eenvoudiger antenne, waarmee wij, met gebruikmaking van een kristalletje, het postkantoor van Iroemoe nog net konden bereiken. . . en dat was voldoende voor onze werkzaamheden. Afrika had afgerekend met de blanke magie. ! In ons hart. En de nachtelijke hemel van Itoeri was weer tot rust gekomen.  

Blanke magie

Het verhaal van OQ5ZZ

Weer terug in Nairobi OQ5ZZ, call van het station dat tijdens de tiende Expeditie van Gatti aktief was. Gatti achter de microfoon van OQ5ZZ De Okwapi Een jonge Bongo