Alles kan, maar niets moet

Liechtenstein

LIGGING, OPPERVLAKTE EN AFMETING Het vorstendom Liechtenstein ligt in Midden-Europa, ongeveer in het midden van de circa 1200 km lange en gemiddeld 150 km brede Alpengordel. De oppervlakte bedraagt 160,008 km2. Dat is ongeveer dezelfde oppervlakte als die van de gemeente Amsterdam. Liechtenstein ligt op de rechteroever van de Rijn, ingeklemd tussen de Zwitserse Eedgenootschap en de Republiek Oostenrijk, tussen  47°03' N.B. (Ruggell, Bangerfeld) en 47°04' N.B. (Balzers, Ellhom) en tussen 9°029' O.L. (Balzers, Altrüttenen) en 9°38' O.L. (Scheuenkopf).  Van noord naar zuid meet het land maximaal 24,56 km, van west naar oost 12,36 km (gemiddeld circa 6 km). De totale lengte van de rijksgrens bedraagt 76 km (41,1 km met Zwitserland en 34,9 km met Oostenrijk). In Europa is Liechtenstein de op drie na kleinste staat. Ter vergelijking: (2007 status) Land     Oppervlak(km)   Inwoners Andorra          453         58000 Liechtenstein  160         32000 Monaco             2         28000 San Marino        61         24000 Vaticaanstad       0.44       1000 DE NAAM LIECHTENSTEIN In de Middeleeuwen was de naam Liechtenstein in verschillende spellingen wijd verbreid in het Duitse taalgebied. De eerste vermelding van de naam die met het huidige vorstenhuis en land te maken heeft, heeft betrekking op een oorkonde waarin een burcht bij Mondeling in Nederoostenrijk wordt vermeld. De naam wordt afgeleid van het Oudhoogduitse woord Ilhenslein. Uit deze samenhang kan de volgende betekenis worden afgelezen: de 'lichtende', de glansrijke, ver in het land uitkijkende rots (steen), waarop later een burcht stond. Symbolisch met de naam samenhangend, kozen de Liechtensteiners voor hun schild, wapen en vlag de kleuren geel (= zon, licht) en rood (= steen, het vaste element). Ook thans nog zijn dit de kleuren van het vorstenhuis. De heerlijkheid Schellen berg en het graafschap Vaduz kregen bij de samenvoeging in 1719 tot een Rijksvorstendom de naam van het heersersgeslacht dat de gebieden door koop had verworven: 'Liechtenstein'. Tot in de 1ge eeuw komt de spelling Lichtenstein voor in documenten. Een vorstendom Liechtenstein bestond al voor de stichting van het huidige land. Het was in gebruik voor een landgoed in Moraviê, dat in 1625 door vorst Gundaker von und zu Liechtenstein was verworven. De oorspronkelijke naam van het gebied was Kromau. In 1633 verhief keizer Ferdinand van Oostenrijk Kromau tot vorstendom Liechtenstein. Het verloor zijn naam in 1719 bij de oprichting van het huidige vorstendom Liechtenstein. LANDSCHAP Het vorstendom Liechtenstein heeft een afwisselend landschap en vertoont op zijn kleine grondgebied een hoogteverschil van circa 2000 meter. Het hoogste punt van het land is de Vorder- Grauspitze (2599 m). Het laagste punt is gelegen in de gemeente Truggel (Truggelen Riet 430 m). In Liechtenstein kunnen drie landschapstypen worden onderscheiden: 1. de dalzone (circa een kwart van de totale oppervlakte van het land), hoogte tussen 430 en 480 meter, die hoofdzakelijk bestaat uit aangeslibde grond met leem- en grindlagen, 2. de hellingen aan de Rijndalzijde (circa 40% van het grondgebied), met hoofdzakelijk naar het westen gekeerde steile beboste hellingen; 3. de Alpenzone (circa 35% van het grondgebied), met van noord naar zuid verlopende Alpendalen. De bergketens maken deel uit van het Rhätikonmassief dat zich uitstrekt tot de buurlanden. Van Balzers naar Ruggell is tussen 1931 en 1943 het circa 26 kilometer lange Binnenkanaal parallel aan de Rijn gegraven om de afwatering van het dal beter te kunnen regelen. Andere rivieren in Liechtenstein zijn de Damian. de Calorisch. de Malbunbeek en de Esche. TAAL De officiële taal van het vorstendom Liechtenstein is het Duits. Het wordt gebruikt als ambtelijke taal en als voertaal in het onderwijs. De bevolking spreekt in het dagelijks leven een Alemaans dialect, dat door alle lagen van de bevolking wordt gesproken en dan ook als de eigenlijke moedertaal kan worden aangemerkt. Ook op de lokale radio- en televisiestations wordt het dialect veelvuldig gebruikt. Het dialect dat wordt gesproken behoort tot de Bovenduitse dialecten, waartoe behalve het Alemaans ook het Schwäbisch, het Beiers, het Oostfrankisch en het Zuidrijn frankisch worden gerekend. In Liechtenstein spreekt men wel van Liechtensteiner Düütsch. In Liechtenstein heeft elke gemeente tot op zekere hoogte een eigen dialect, zelfs binnen één gemeente kan soms onderscheid worden gemaakt. Ook verschilt het dialect tussen jongeren en ouderen, omdat de eerstgenoemde door o.a. onderwijs, sport e.d. meer contact met elkaar hebben buiten het eigen dorp. In het vorstendom kunnen drie dialectgebieden worden onderscheiden: het Unterland, de gemeenten in het Rijndal van het Oberland en de gemeente Triesenberg. De laatste jaren wordt het dialect steeds vaker in geschreven vorm gebruikt en gepubliceerd. In tegenstelling tot verschillende varianten van het Zwitsers-Duitse dialect bestaan er voor de Liechtensteinse dialecten (nog) geen officiële spelling. GEOLOGIE Liechtenstein heeft een interessante geologische geschiedenis. Midden in het land botsen de West- en de Oost- Alpen (samen een 1200 km lange bergketen die in een halve maan door Europa loopt en gemiddeld 150 km breed is) tegen elkaar. De grens loopt van de Luziensteig bij Balzers via Vaduz in noordoostelijke richting. Het grootste gedeelte van het Alpengebied behoort tot de Oost-Alpen, terwijl de Fläscherberg (in het zuiden, bij Balzers) en de Eschnberberg in het noorden als uitlopers van de helvetische deklaag in het Rijndal omhoog steken. Het noordelijke deel van de Fläscherberg met zijn markante uitloper de Ellhom ligt op Liechtensteins grondgebied. In het noorden komt, zoals gezegd, het Helveticum aan het licht, dan naar het zuiden toe het Vorarlberger en Vaduzer Flysch, de onderalpine Falknisdeklaag en de boven-alpine Lechdallaag. De tectonisch diepstliggende laag is de Falknislaag, waarvan de rotswanden weinig gestructureerd zijn. De Lechdallaag toont echter, bijvoorbeeld aan de noordvoet van de Naafkopf watervalachtige plooien. De steile wanden in het Saminadal en de bergen rondom de bergketen zijn gevormd door Arlberglagen. Het Hoofd-Dolomiet is verantwoordelijk voor de gescheurdheid van de Drei Schwestern en voor de enorme rotswanden van de Falknis. De flysch-zone vormt de basis van de Drei Schwesternketen. De Rijngletsjer heeft zijn sporen nagelaten in de vorm van drumlins aan de zuidzijde van de Eschnerberg en de gletsjersleuf tussen Bendern en Ruggell. Uit het Alluvium dateren de berghellingen rondom de Sarojasettel en de reusachtige puinhellingen aan de westkant van de Drei Schwesternketen. Het Rijndal zelf blijft een onopgelost geologisch raadsel. Het zou logischer zijn geweest als de Rijn door het Zwitserse Seeztal naar de Walensee en de Zürichsee zou hebben gestroomd en niet door het huidige Rijndal. Tot op heden is het niet opgehelderd of het Rijndal een geotechnische depressie of het resultaat van erosieprocessen is. Wellicht werd het dal door breuken in de aardkorst gevormd. Door de rijkdom aan geologische verscheidenheid is er voor verzamelaars van fossielen en mineralen veel en veelzijdige vondsten te doen op een beperkte oppervlakte. HOOGSTE BERGTOPPEN IN LIECHTENSTEIN 1. Grauspitze 2599 m 2. Schwarzhorn 2574 m 3. Naafkopf 2570 m 4. Falknis   2560 m 5. Falknishorn 2452 m 6. Augstenberg 2359 m 7. Plasteikopf 2346 m 8. Gorfion     2308 m 9. Ochsenkopf 2286 m 10. Hochspieler 2226 m 11. Rappenstein 2222 m 12. Galinakopf 2198 m 13. Spitz (Silberhorn) 2186 m 14. Scheuenkopf 2150 m 15. Hubel   2150 m 16. Rotspitz (lawena, Falknis) 2127 m 17. Kuhgrat 2123 m 18. Goldlochspitz 2110 m   19. Gamsgrat  2110 m 20. Garsellikopf 2106 m 21. Schönberg 2104 m 22. Nospitz 2091 m 23. Stachlerkopf 2071 m 24. Dreischwestern 2052 m 25. Zigerberg 2051 m KLIMAAT  Liechtenstein ligt op de overgang van het oceanische (door de Atlantische Oceaan beïnvloed, vochtig en koel) naar het continentale klimaattype (droog en warm, heersend in het gebied rond Chur). De temperatuurgegevens tonen relatief warme zomers en koude vroege winters. De gemiddelde temperatuur bedroeg over de periode 1975- 1994 9,7oC. De koudste maand gedurende deze periode was januari (O,6oC); de warmste juli (18,7 ook). In 1999 was de gemiddelde temperatuur 10,1oC; op de warmste dag (in juli) werd het 32,2oC; op de koudste dag (in februari) -16,3oC. Een belangrijk aandeel in het klimaat heeft föhn. Deze warme zuidenwind waait circa 40 dagen per jaar. Vooral in oktober zorgt deze voor hogere temperaturen dan nor- maal in die maand. Ook in de winter kan de föhn van tijd tot tijd voor een relatiefhoge dagtemperatuur zorgen. De gemiddelde regenval bedraagt tussen de circa 900 mm per jaar (in het Rijndal) en circa 2400 mm (op de berg- hellingen). Het land is in de zomer op zijn mooist, maar ook de lente en de herfst hebben elk hun eigen bekoring. De winter is bij uitstek geschikt voor de beoefening van wintersporten. Vochtige en relatief milde westenwinden overheersen. Ongeveer eenderde van alle waargenomen winden komt daardoor (vanwege de ligging van de berg- ketens) uit het noorden, de rest uit het zuiden. FLORA EN FAUNA Liechtenstein is een waar natuurparadijs en de natuurliefhebber kan er zijn hart ophalen. Tot op heden zijn er ruim 1600 plantensoorten aangetroffen. Bijna een derde van alle planten bevindt zich in het natuurreservaat Ruggeiler Riet. Ook de heuvel waarop de burcht Gutenberg in Balzers staat, is uitzonderlijk rijk bedeeld (circa 280 soorten). In het Rijndal vormen de moerasachtige gebieden (Ried) een afzonderlijke biotoop, waar o.m. de gele en de Siberische lis voorkomen. Ook de Rijndam, die voornamelijk uit grind en rotsblokken bestaat, kent zijn eigen specifieke flora. De flora staat in Liechtenstein grotendeels onder wettelijke bescherming. Sinds 1989 bestaat voor het gehele Alpengebied een pluk- en uitgraafverbod. In het Rijndal zijn bepaalde gebieden onder natuurbescherming geplaatst. De belangrijkste boomsoort in het dalgebied (van 500 tot 1200 meter) is de beuk (vooral in het slotwoud boven Vaduz is het beukenbos in zijn oervorm nog grotendeels bewaard gebleven). De eigenlijke alpenflora begint boven de boomgrens, maar uitlopers hebben ook de lager gelegen delen bereikt. De meeste soorten, zoals de beroemde edelweiss, gentiaan, vuurlelie, alpenroosje, alpenaster, vrouwenschoentje en sneeuwroos komen ook in andere landen in de voor enkele soorten zijn echter alleen in Liechtenstein aanwezig. Evenals de flora kan de fauna zich verheugen in een grote rijkdom aan soorten. De typische alpine zoogdieren worden ook in Liechtenstein aangetroffen: o.m. gemzen, reeën, edelherten, steenbokken, Alpenmarmotten, dassen, wilde zwijnen, veld- en sneeuwhazen. Op het grondgebied van het vorstendom Liechtenstein zijn circa 145 regelmatig broedende vogelsoorten aangetroffen. De aan water gebonden vogelsoorten zijn in Liechtenstein zeer ondervertegenwoordigd. In de Alpen nestelen thans 68 verschillende broedvogel soorten, waaronder de havik, buizerd en steenadelaar. Het aantal voorkomende amfibieën is slechts bescheiden, o.a. komen in Liechtenstein enkele salamander- en kikkersoorten voor. In de Liechtensteinse wateren worden diverse vissoorten, waar onder enkele forelsoorten, aangetroffen.  
HELLINGSGRAAD De hellingsgraad is een maat om de stijging van een hellend vlak weer te geven. De hellingsgraad wordt uitgedrukt in percentage %, en wordt daarom ook stijgingspercentage genoemd. De hellingsgraad van een heuvel, helling, berg of rivier is gelijk aan het hoogteverschil gedeeld door de horizontale afstand. Bij een hellingsgraad van 10% stijgt de weg 10 meter voor iedere 100 meter die er in horizontale richting wordt afgelegd. Een hellingsgraad van 100% betekent geen hoek van 90 graden maar een hoek van 45 graden. (Een hellingsgraad van meer dan 100% is dus ook mogelijk.)
Extra Foto’s Extra Foto’s
Liechtenstein 2007
Alles kan, maar niets moet

Liechtenstein

LIGGING, OPPERVLAKTE EN AFMETING Het vorstendom Liechtenstein ligt in Midden-Europa, ongeveer in het midden van de circa 1200 km lange en gemiddeld 150 km brede Alpengordel. De oppervlakte bedraagt 160,008 km2. Dat is ongeveer dezelfde oppervlakte als die van de gemeente Amsterdam. Liechtenstein ligt op de rechteroever van de Rijn, ingeklemd tussen de Zwitserse Eedgenootschap en de Republiek Oostenrijk, tussen  47°03' N.B. (Ruggell, Bangerfeld) en 47°04' N.B. (Balzers, Ellhom) en tussen 9°029' O.L. (Balzers, Altrüttenen) en 9°38' O.L. (Scheuenkopf).  Van noord naar zuid meet het land maximaal 24,56 km, van west naar oost 12,36 km (gemiddeld circa 6 km). De totale lengte van de rijksgrens bedraagt 76 km (41,1 km met Zwitserland en 34,9 km met Oostenrijk). In Europa is Liechtenstein de op drie na kleinste staat. Ter vergelijking: (2007 status) Land     Oppervlak(km)   Inwoners Andorra          453         58000 Liechtenstein  160         32000 Monaco             2         28000 San Marino        61         24000 Vaticaanstad       0.44       1000 DE NAAM LIECHTENSTEIN In de Middeleeuwen was de naam Liechtenstein in verschillende spellingen wijd verbreid in het Duitse taalgebied. De eerste vermelding van de naam die met het huidige vorstenhuis en land te maken heeft, heeft betrekking op een oorkonde waarin een burcht bij Mondeling in Nederoostenrijk wordt vermeld. De naam wordt afgeleid van het Oudhoogduitse woord Ilhenslein. Uit deze samenhang kan de volgende betekenis worden afgelezen: de 'lichtende', de glansrijke, ver in het land uitkijkende rots (steen), waarop later een burcht stond. Symbolisch met de naam samenhangend, kozen de Liechtensteiners voor hun schild, wapen en vlag de kleuren geel (= zon, licht) en rood (= steen, het vaste element). Ook thans nog zijn dit de kleuren van het vorstenhuis. De heerlijkheid Schellen berg en het graafschap Vaduz kregen bij de samenvoeging in 1719 tot een Rijksvorstendom de naam van het heersersgeslacht dat de gebieden door koop had verworven: 'Liechtenstein'. Tot in de 1ge eeuw komt de spelling Lichtenstein voor in documenten. Een vorstendom Liechtenstein bestond al voor de stichting van het huidige land. Het was in gebruik voor een landgoed in Moraviê, dat in 1625 door vorst Gundaker von und zu Liechtenstein was verworven. De oorspronkelijke naam van het gebied was Kromau. In 1633 verhief keizer Ferdinand van Oostenrijk Kromau tot vorstendom Liechtenstein. Het verloor zijn naam in 1719 bij de oprichting van het huidige vorstendom Liechtenstein. LANDSCHAP Het vorstendom Liechtenstein heeft een afwisselend landschap en vertoont op zijn kleine grondgebied een hoogteverschil van circa 2000 meter. Het hoogste punt van het land is de Vorder-Grauspitze (2599 m). Het laagste punt is gelegen in de gemeente Truggel (Truggelen Riet 430 m). In Liechtenstein kunnen drie landschapstypen worden onderscheiden: 1. de dalzone (circa een kwart van de totale oppervlakte van het land), hoogte tussen 430 en 480 meter, die hoofdzakelijk bestaat uit aangeslibde grond met leem- en grindlagen, 2. de hellingen aan de Rijndalzijde (circa 40% van het grondgebied), met hoofdzakelijk naar het westen gekeerde steile beboste hellingen; 3. de Alpenzone (circa 35% van het grondgebied), met van noord naar zuid verlopende Alpendalen. De bergketens maken deel uit van het Rhätikonmassief dat zich uitstrekt tot de buurlanden. Van Balzers naar Ruggell is tussen 1931 en 1943 het circa 26 kilometer lange Binnenkanaal parallel aan de Rijn gegraven om de afwatering van het dal beter te kunnen regelen. Andere rivieren in Liechtenstein zijn de Damian. de Calorisch. de Malbunbeek en de Esche. TAAL De officiële taal van het vorstendom Liechtenstein is het Duits. Het wordt gebruikt als ambtelijke taal en als voertaal in het onderwijs. De bevolking spreekt in het dagelijks leven een Alemaans dialect, dat door alle lagen van de bevolking wordt gesproken en dan ook als de eigenlijke moedertaal kan worden aangemerkt. Ook op de lokale radio- en televisiestations wordt het dialect veelvuldig gebruikt. Het dialect dat wordt gesproken behoort tot de Bovenduitse dialecten, waartoe behalve het Alemaans ook het Schwäbisch, het Beiers, het Oostfrankisch en het Zuidrijn frankisch worden gerekend. In Liechtenstein spreekt men wel van Liechtensteiner Düütsch. In Liechtenstein heeft elke gemeente tot op zekere hoogte een eigen dialect, zelfs binnen één gemeente kan soms onderscheid worden gemaakt. Ook verschilt het dialect tussen jongeren en ouderen, omdat de eerstgenoemde door o.a. onderwijs, sport e.d. meer contact met elkaar hebben buiten het eigen dorp. In het vorstendom kunnen drie dialectgebieden worden onderscheiden: het Unterland, de gemeenten in het Rijndal van het Oberland en de gemeente Triesenberg. De laatste jaren wordt het dialect steeds vaker in geschreven vorm gebruikt en gepubliceerd. In tegenstelling tot verschillende varianten van het Zwitsers-Duitse dialect bestaan er voor de Liechtensteinse dialecten (nog) geen officiële spelling. GEOLOGIE Liechtenstein heeft een interessante geologische geschiedenis. Midden in het land botsen de West- en de Oost- Alpen (samen een 1200 km lange bergketen die in een halve maan door Europa loopt en gemiddeld 150 km breed is) tegen elkaar. De grens loopt van de Luziensteig bij Balzers via Vaduz in noordoostelijke richting. Het grootste gedeelte van het Alpengebied behoort tot de Oost-Alpen, terwijl de Fläscherberg (in het zuiden, bij Balzers) en de Eschnberberg in het noorden als uitlopers van de helvetische deklaag in het Rijndal omhoog steken. Het noordelijke deel van de Fläscherberg met zijn markante uitloper de Ellhom ligt op Liechtensteins grondgebied. In het noorden komt, zoals gezegd, het Helveticum aan het licht, dan naar het zuiden toe het Vorarlberger en Vaduzer Flysch, de onderalpine Falknisdeklaag en de boven-alpine Lechdallaag. De tectonisch diepstliggende laag is de Falknislaag, waarvan de rotswanden weinig gestructureerd zijn. De Lechdallaag toont echter, bijvoorbeeld aan de noordvoet van de Naafkopf watervalachtige plooien. De steile wanden in het Saminadal en de bergen rondom de bergketen zijn gevormd door Arlberglagen. Het Hoofd-Dolomiet is verantwoordelijk voor de gescheurdheid van de Drei Schwestern en voor de enorme rotswanden van de Falknis. De flysch-zone vormt de basis van de Drei Schwesternketen. De Rijngletsjer heeft zijn sporen nagelaten in de vorm van drumlins aan de zuidzijde van de Eschnerberg en de gletsjersleuf tussen Bendern en Ruggell. Uit het Alluvium dateren de berghellingen rondom de Sarojasettel en de reusachtige puinhellingen aan de westkant van de Drei Schwesternketen. Het Rijndal zelf blijft een onopgelost geologisch raadsel. Het zou logischer zijn geweest als de Rijn door het Zwitserse Seeztal naar de Walensee en de Zürichsee zou hebben gestroomd en niet door het huidige Rijndal. Tot op heden is het niet opgehelderd of het Rijndal een geotechnische depressie of het resultaat van erosieprocessen is. Wellicht werd het dal door breuken in de aardkorst gevormd. Door de rijkdom aan geologische verscheidenheid is er voor verzamelaars van fossielen en mineralen veel en veelzijdige vondsten te doen op een beperkte oppervlakte. HOOGSTE BERGTOPPEN IN LIECHTENSTEIN 1. Grauspitze 2599 m 2. Schwarzhorn 2574 m 3. Naafkopf 2570 m 4. Falknis   2560 m 5. Falknishorn 2452 m 6. Augstenberg 2359 m 7. Plasteikopf 2346 m 8. Gorfion     2308 m 9. Ochsenkopf 2286 m 10. Hochspieler 2226 m 11. Rappenstein 2222 m 12. Galinakopf 2198 m 13. Spitz (Silberhorn) 2186 m 14. Scheuenkopf 2150 m 15. Hubel   2150 m 16. Rotspitz (lawena, Falknis) 2127 m 17. Kuhgrat 2123 m 18. Goldlochspitz 2110 m   19. Gamsgrat  2110 m 20. Garsellikopf 2106 m 21. Schönberg 2104 m 22. Nospitz 2091 m 23. Stachlerkopf 2071 m 24. Dreischwestern 2052 m 25. Zigerberg 2051 m KLIMAAT  Liechtenstein ligt op de overgang van het oceanische (door de Atlantische Oceaan beïnvloed, vochtig en koel) naar het continentale klimaattype (droog en warm, heersend in het gebied rond Chur). De temperatuurgegevens tonen relatief warme zomers en koude vroege winters. De gemiddelde temperatuur bedroeg over de periode 1975- 1994 9,7oC. De koudste maand gedurende deze periode was januari (O,6oC); de warmste juli (18,7 ook). In 1999 was de gemiddelde temperatuur 10,1oC; op de warmste dag (in juli) werd het 32,2oC; op de koudste dag (in februari) -16,3oC. Een belangrijk aandeel in het klimaat heeft föhn. Deze warme zuidenwind waait circa 40 dagen per jaar. Vooral in oktober zorgt deze voor hogere temperaturen dan nor- maal in die maand. Ook in de winter kan de föhn van tijd tot tijd voor een relatiefhoge dagtemperatuur zorgen. De gemiddelde regenval bedraagt tussen de circa 900 mm per jaar (in het Rijndal) en circa 2400 mm (op de berg- hellingen). Het land is in de zomer op zijn mooist, maar ook de lente en de herfst hebben elk hun eigen bekoring. De winter is bij uitstek geschikt voor de beoefening van wintersporten. Vochtige en relatief milde westenwinden overheersen. Ongeveer eenderde van alle waargenomen winden komt daardoor (vanwege de ligging van de berg- ketens) uit het noorden, de rest uit het zuiden. FLORA EN FAUNA Liechtenstein is een waar natuurparadijs en de natuurliefhebber kan er zijn hart ophalen. Tot op heden zijn er ruim 1600 plantensoorten aangetroffen. Bijna een derde van alle planten bevindt zich in het natuurreservaat Ruggeiler Riet. Ook de heuvel waarop de burcht Gutenberg in Balzers staat, is uitzonderlijk rijk bedeeld (circa 280 soorten). In het Rijndal vormen de moerasachtige gebieden (Ried) een afzonderlijke biotoop, waar o.m. de gele en de Siberische lis voorkomen. Ook de Rijndam, die voornamelijk uit grind en rotsblokken bestaat, kent zijn eigen specifieke flora. De flora staat in Liechtenstein grotendeels onder wettelijke bescherming. Sinds 1989 bestaat voor het gehele Alpengebied een pluk- en uitgraafverbod. In het Rijndal zijn bepaalde gebieden onder natuurbescherming geplaatst. De belangrijkste boomsoort in het dalgebied (van 500 tot 1200 meter) is de beuk (vooral in het slotwoud boven Vaduz is het beukenbos in zijn oervorm nog grotendeels bewaard gebleven). De eigenlijke alpenflora begint boven de boomgrens, maar uitlopers hebben ook de lager gelegen delen bereikt. De meeste soorten, zoals de beroemde edelweiss, gentiaan, vuurlelie, alpenroosje, alpenaster, vrouwenschoentje en sneeuwroos komen ook in andere landen in de voor enkele soorten zijn echter alleen in Liechtenstein aanwezig. Evenals de flora kan de fauna zich verheugen in een grote rijkdom aan soorten. De typische alpine zoogdieren worden ook in Liechtenstein aangetroffen: o.m. gemzen, reeën, edelherten, steenbokken, Alpenmarmotten, dassen, wilde zwijnen, veld- en sneeuwhazen. Op het grondgebied van het vorstendom Liechtenstein zijn circa 145 regelmatig broedende vogelsoorten aangetroffen. De aan water gebonden vogelsoorten zijn in Liechtenstein zeer ondervertegenwoordigd. In de Alpen nestelen thans 68 verschillende broedvogel soorten, waaronder de havik, buizerd en steenadelaar. Het aantal voorkomende amfibieën is slechts bescheiden, o.a. komen in Liechtenstein enkele salamander- en kikkersoorten voor. In de Liechtensteinse wateren worden diverse vissoorten, waar onder enkele forelsoorten, aangetroffen.  
Extra Foto’s Extra Foto’s
Liechtenstein 2007